Het verschil tussen 1968 en 2000

In 1968 – evenals 2000 een jaar waarin de Amerikanen een nieuwe president kozen – bepleitte een Nederlandse predikant die actief was in de toenmalige vredesbeweging, dat Amerika's bondgenoten medezeggenschap zouden krijgen in die keuze.

Immers, de Amerikaanse president besliste in belangrijke mate over veiligheid en welzijn van de wereld. Dus was het alleen maar logisch dat althans de `vrije wereld' wat te zeggen zou hebben over wie er de komende vier jaar het lot van de wereld zou gaan bestemmen.

Er zat iets in die redenering. Hoewel zich bewust van het illusionaire van dit voorstel besloot de Nieuwe Rotterdamse Courant – een van de voorlopers van deze krant – alvast haar voorkeur uit te spreken voor één van de vele politici die een gooi deden naar het presidentschap.

President Lyndon Johnson, moe van de uitzichtloze oorlog in Vietnam en van de groeiende protesten daartegen, had net de handdoek in de ring gegooid. Hij zou geen kandidaat zijn. Deze beslissing opende het veld voor anderen in de Democratische partij: vice-president Hubert Humphrey, Eugene McCarthy en Robert Kennedy.

Bij de Republikeinen was het ook nog niet zeker wie tot officiële kandidaat gekozen zou worden. Richard Nixon, die vice-president onder president Eisenhower (1953-1961) was geweest, maakte de beste kans, maar Nelson Rockefeller, die als `liberaler' werd beschouwd, dong ook naar de nominatie.

Hoe het ook zij – de oude NRC besloot haar toeschouwersrol te verlaten en sprak zich uit voor Rockefeller. Wat haar motieven waren, doet er nu niet toe – te minder omdat hij het toch niet haalde. Nixon werd de kandidaat van de Republikeinen en won, een paar maanden later, de verkiezingen.

Wat er wél toe doet, is het feit dat 32 jaar geleden de feitelijke saamhorigheid van Amerika en West-Europa als zo sterk werd ervaren, dat een Europese krant openlijk partij trok in de Amerikaanse verkiezingsstrijd. Zou het waarschijnlijk zijn dat zoiets zich nu, in 2000, zou herhalen?

Als ik mijzelf tot maatstaf mag nemen, dan merk ik bij mezelf dat ik de verkiezingsstrijd van dit jaar minder nauwgezet en minder geïnteresseerd volg dan toen. Zeker, zo'n Amerikaanse verkiezingsstrijd is altijd een spektakel. Er is altijd ten minste één kleurrijke figuur bij die de spanning erin houdt. Dit jaar was het senator McCain, die mijn sympathie had, hoewel het de vraag was of hij ooit een goede president zou zijn geworden.

Maar verder leek het voor de wereld niet veel uit te maken of het nu Bush dan wel Gore zou worden (Bradley, hoewel ook sympathiek, was toch te aarzelend). Als, bij mij althans, de balans doorslaat naar Gore, dan is dat omdat Bush wel erg een product is van het Republikeinse `establishment'. Zijn opvrijerij van religieus rechts deed de deur dicht.

Gore is weliswaar eveneens product van een `establishment', het Democratische, en was evenmin kieskeurig in zijn strijdmethodes (tegen Bradley), maar daar staat tegenover dat hij grote ervaring heeft in de nationale en internationale politiek. Geen president heeft aan zijn vice-president meer verantwoordelijkheid gegeven dan Clinton aan Gore. Bush mist die ervaring ten enen male.

Maar daarmee houdt mijn engagement wel zo ongeveer op. Hoe komt dat? Mijzelf ondervragende, neig ik naar de conclusie dat dit te maken heeft met het einde van de Koude Oorlog. Dat heeft tot onvermijdelijk gevolg gehad dat Amerika en Europa elkaar minder nodig hebben, verder van elkaar zijn komen te liggen in wederzijdse belangstelling.

Meer objectief gesproken, is het Amerikaanse presidentschap, met het einde van de Koude Oorlog, überhaupt minder belangrijk geworden – ook in interne zaken. Volgens sommigen is daarmee een trend omgebogen die begonnen was met het activistische presidentschap van Theodore Roosevelt (1901-1909). Maar dit speelt in de Europese perceptie geen rol.

In de Europese perceptie is er na het einde van de Koude Oorlog een ontwikkeling gaande waarbij Amerika, geheel los van de wil van de zittende president(en), afdrijft van Europa. Het zou verkeerd zijn die ontwikkeling neo-isolationisme te noemen. Integendeel, de neiging om overal in de wereld eenzijdig in te grijpen, is verre van isolationistisch, maar is wél geschikt om bondgenoten te ergeren.

In Die Zeit van deze week schrijft David Gompert, president van RAND Europe te Leiden (het is merkwaardig uit een Duits tijdschrift voor het eerst te moeten vernemen van het bestaan van zo'n instituut, vlak naast de deur) over de ,,toenemend duidelijk wordende conflicten'' tussen de Verenigde Staten en Europa ,,wat de doelen van hun politiek betreft''.

Die conflicten wortelen volgens Gompert, die behoord heeft tot de staf van president Bush sr., daarin dat ,,de strategische perspectieven van de Verenigde Staten en de meerderheid van de Europese staten steeds sterker van elkaar afwijken'' (hier spreekt Gompert niet van Europa, maar, terecht, van een `meerderheid van Europese staten', dus wat het Atlantische Nederland wil, doet er niet zo veel toe).

Anders gezegd: de discipline waartoe de Koude Oorlog de Amerikaans-Europese samenwerking dwong, is na het einde van die oorlog afgenomen. Dat was onvermijdelijk en voorzienbaar en brengt, even onvermijdelijk en voorzienbaar, een mindere belangstelling voor de Amerikaanse verkiezingsstrijd met zich.