De aftocht van een lastige regent

Waar Peper kwam, gebeurde altijd iets. Daar zijn vriend en vijand het over eens. Bij de één leidde dat tot diepe haat, bij de ander tot grote bewondering.

,,IJdelheid, dikhuidigheid en geldingsdrang. Daar is elke politicus uit opgebouwd. Maar als daar hovaardij en arrogantie bijkomen, krijg je een gevaarlijke politicus. En dat is Peper altijd geweest.''

Geen commentaar bij het afscheid van minister Peper (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) was gisteren zo spijkerhard als dat van voormalig PvdA-Tweede Kamerlid Piet de Visser. Wat deze volbloed Rotterdammer welhaast zichtbaar haat in de persoon Peper, is dat het altijd `grotesk' moet zijn. Die glanzende zelfingenomenheid, dat zo on-Rotterdamse. Dat regenteske, dat snel verveeld zijn in anderen.

Een waarneming die niet helemaal onjuist lijkt. Waar Peper komt, lijkt iets grotesks te moeten gebeuren, en dat leidt bij een enkeling tot heftige allergische reacties. Die 31-ste juli 1998 was illustratief. Voor zijn eerste gesprek op het Binnenhof, over zijn eventuele beschikbaarheid voor het ministerschap, moest hij uit Cuba eerste-klas worden ingevlogen. En wat het groteske betreft was zijn aftocht gisteren, geflankeerd door een optocht van lampen en camera's, niet anders.

Zijn optredens in de Tweede Kamer, of het nu een bescheiden overleg of een plenair debat betrof, gaan de herinnering in doordat ze zich onderscheidden van die van zijn collega's. De formuleringen waren net even beter, het had net even meer inhoud en de bewindsman toonde altijd net even meer intellectuele bagage, meestal onder verwijzing naar `belangwekkende leerstukken'.

Rustig pratend, kalm de handen wrijvend of de met grote gouden knopen versierde, dubbele manchetten schikkend, schikkend en nog eens schikkend. Als het ging om dorre teksten vam ambtenaren accellereerde Peper in zijn betoog. Als hij zich zelf citeerde werd het weer gewichtig en sierlijk. Slaap overviel hem al snel als anderen het woord voerden.

De dialoog met de Kamer lag hem goed. Een ordentelijke waaier documenten voor zijn neus, altijd joviaal, humoristisch en gedegen op de hoogte van zijn dossiers. Achter hem bewonderende ambtenaren die met plezier naar het exposé van hun minister luisterden.

Na het vertrek van voorganger Dijkstal volgde er een cultuurschok op het departement. Plotseling moesten twee ministers worden bediend: behalve Peper ook Van Boxtel (Grote Steden- en Integratiebeleid). Maar het moeilijkst was toch de vraag hoe om te gaan met Peper, de bestuurder waar het apparaat voor sidderde op grond van de reputatie die hij meekreeg uit Rotterdam. Een lastige man, die heel veel eist van het apparaat en het altijd zelf beter weet. En dat uitgerekend na Dijkstal, de saxofoon spelende liberaal, die doorgaans flierefluitend op de gang te vinden was. Peper legde, intellectueel gezien, de lat meteen wat hoger.

Het zou zeker een half jaar duren voordat de ministeriële staf aan Peper was gewend. Niet alleen zijn stugge, voor ambtenaren vaak onvriendelijke optreden was daar debet aan, maar zeker ook zijn gedrevenheid. De productie van nota's, notities en brieven aan de Tweede Kamer waren in het eerste jaar van zijn ambtstermijn ongekend. Een grote politienota, drie nota's over ambtenaren bij de laatste memorie van toelichting op de begroting. Een nieuwe cao voor de politie ook, die niet geheel vlekkeloos tot stand kwam en daarom ook onverbiddelijk leidde tot het vertrek van de daarvoor verantwoordelijk gehouden ambtenaar.

Het ambtelijk apparaat had het moeilijk met Peper. Maar Peper ook met zichzelf. In heimwee omziend naar zestien jaar burgemeesterschap zat hij daar peinzend achter zijn bureau als een man die zich afvroeg wat hij daar deed. Hij kreeg er pas zin in tijdens de `Nacht van Wiegel' over de invoering van het referendum, van 18 op 19 mei vorig jaar. Dat had Peper nodig. In de spotlights kon hij groeien. Als een staatsman verdedigde hij het referendum, nota bene een stokpaardje van D66. Vanaf dat moment ging het steeds beter met de minister.

Dat bleek een maand later, toen hij hoog spel durfde te spelen in de ministerraad. Hij dreigde met aftreden toen D66 de benoeming eiste van oud-staatssecretaris J. Kohnstamm tot burgemeester van Utrecht. Peper hield vast aan zijn eigen voordracht, van PvdA'er mevrouw A. Brouwer-Korf, en kreeg zijn zin. Hij kwam op stoom en `zat goed in zijn vel', getuige bijvoorbeeld zijn essay over de ambtenarij waar hij een zomerdag aan werkte.

Eenmaal op dreef toonde de `ongelooflijke lettervreter' als vanouds oog voor elk detail, las alles, vlooide elke alinea door, van het kleinste briefje tot de grootste nota en had altijd iets te verbeteren of aan te vullen dat er ook werkelijk toe deed.

Toen eind oktober vorig jaar de al sluimerende kwestie rond een twijfelachtig declaratie-verleden als burgemeester van Rotterdam voluit oplaaide, ging het Peper eigenlijk om twee hoofdzaken. Het Europees kampioenschap voetbal moest tot een goed einde worden gebracht en hij wilde meer blauw op straat. Dijkstal was er zijn hele regeerperiode niet in geslaagd te weten te komen hoeveel politie-agenten er eigenlijk zijn, Peper legde de zweep over het apparaat en bracht vorige zomer het hele politieleger in beeld.

Bij Peper, die zo graag een robuust bestuurder wil zijn, de intellectueel met de mentaliteit van een vechtersbaas, `even bot als verlegen', moet er vanaf die laatste week van oktober zand in de raderen zijn geraakt: zijn productie werd beduidend minder. Sterker, er bleef werk liggen. Zijn verdediging ging steeds meer tijd vergen.