Bladeren

Barron's

De stijging van de olieprijzen tot dertig dollar per vat kost de Amerikaanse economie zeventig biljoen dollar, en de wereldeconomie tweehonderd biljoen dollar. Het Amerikaanse beursblad Barron's meent dat Al Gore en alle bedrijven en particulieren die energie gebruiken het gelag moeten betalen en dat de OPEC-landen, George Bush en Alan Greenspan garen spinnen bij deze ontwikkeling.

Immers, zonder de stijging van de olieprijzen zou Greenspan zich gedwongen hebben gezien de rentetarieven tot 7,75 misschien wel 8 procent te verhogen. En dat zou hem slecht zijn uitgekomen in het jaar van de presidentsverkiezingen. Bush heeft belang bij de OPEC-manoeuvres omdat hij er van uit mag gaan dat de Amerikanen de zittende regering, inclusief Al Gore, verantwoordelijk zullen houden voor de olieprijsstijging. Het blad verwacht overigens dat prijsontwikkelingen geen serieuze bedreiging zijn voor de bloei van de economie. De autohandel en de detailhandel floreren als nooit tevoren. Het investeringsniveau blijft groeien, omdat het bedrijfsleven steeds meer winst maakt. Daarom heeft de daling van het aantal vacatures in februari niets te betekenen.

Op gezag van branche-deskundigen voorspelt het blad dat de OPEC-landen 27 maart a.s. zullen besluiten de productie weer op te voeren, met minstens anderhalf miljoen vaten per dag. Dat zal aanvankelijk niet kunnen verhinderen dat de prijs oploopt tot 35 dollar per vat, omdat de voorraden veel kleiner zijn dan normaal rond deze tijd van het jaar, en vervolgens zal dalen tot 27 dollar per vat. De huidige situatie kon ontstaan doordat de OPEC-landen veel meer discipline vertonen bij hun overeengekomen productiebeperking dan algemeen werd verwacht en dat de niet-OPEC-landen het tekort niet snel genoeg kunnen aanvullen.

www.barrons.com

Guardian Weekly

Het spookbeeld van een vierde oliecrisis bedreigt de wereld van de nieuwe economie. De tijd is voorbij dat de OPEC-landen niet in staat bleken het eens te worden over productiequota en dat de prijs voor ruwe olie zakte tot beneden het niveau van de jaren vijftig. Samen met niet-OPEC-landen als Mexico, Noorwegen, Rusland en Oman slaagden ze erin de prijs per vat omhoog te krikken tot ver voorbij het streefbedrag van twintig dollar.

The Guardian Weekly denkt dat het te vroeg is om vast te stellen dat de geschiedenis van de oliecrises in de jaren zeventig zich zal herhalen. Daar komt bij dat de verschillen tussen toen en nu even groot zijn als de overeenkomsten. De inflatie van toen bijvoorbeeld is niet vergelijkbaar met die van nu. De milieubeweging in Engeland voorspelt bij monde van David Fleming dat de echte oliecrisis nog moet komen en dat de macht van de OPEC-landen toeneemt omdat hun aandeel in de wereld-oliereserves is uitgegroeid tot meer dan vijftig procent. Dat komt doordat de niet-OPEC-landen hun voorraden sneller verbruiken dan de OPEC-landen. In de jaren zeventig verzachtte de ontdekking van nieuwe olievelden de gevolgen van de oliecrises, maar dat gaat nu niet op, want `er zijn geen Alaska's en Noordzeeën meer'.

Vooral Saoedi-Arabië profiteert van de stijgende prijzen. Het land komt nu nog voortdurend geld tekort, mede als gevolg van de Golfoorlog, die het land vijfenvijftig miljard dollar kostte. Elke prijsdaling van een dollar per vat scheelt de Saoedi's 2,5 miljard dollar inkomsten per jaar. Door de stijging van de olieprijs daalt het Saoedische begrotingstekort van twaalf miljard dollar in 1999 tot drie miljard in het lopende jaar. Maar, zo herinnert het blad zich, kroonprins Abdullah heeft vorig jaar bij het bekendmaken van de productiebeperking al gezegd niet te geloven in een herhaling van de jaren zeventig.

The Economist

Er zijn goede redenen om te denken dat de economische gevolgen van de olieprijsstijging minder ernstig zullen zijn dan in de jaren zeventig, denkt The Economist. De eerste is dat de huidige stijging volgt op een wel heel scherpe langdurige daling. De tweede reden is dat de economie minder afhankelijk is geworden van olie onder andere als gevolg van belasting op energie, de beschikbaarheid van andere energiebronnen, en vermindering van het aandeel van de zware industrie in de economie. Bovendien ontbreekt in het huidige scenario de relatie met oorlogen en revoluties en speelt de inflatie geen rol van betekenis.

Maar ook al zijn de gevolgen kleiner dan eertijds, ze zullen niet achterwege blijven. De inflatie is vorig jaar in Amerika gestegen van 1,6 tot 2,7 procent en in de eurolanden van 0,8 tot 2 procent. Dat is niet veel, maar de centrale banken vrezen dat verdere stijging van de inflatie zal leiden tot hogere lonen. In Amerika is dat risico groot omdat de arbeidsmarkt overspannen is en in Europa omdat de lonen op minder flexibele arbeidsmarkten altijd vlugger reageren op prijsstijgingen. Japan is extra gevoelig voor de huidige ontwikkelingen omdat het nog afhankelijker is van geïmporteerde olie dan Europa en ook minder exporteert naar de OPEC-landen. De opkomende markten zijn de grootste verliezers omdat ze naar verhouding veel meer olie gebruiken dan de rijke economieën.

Geen paniek? Het blad wantrouwt deze sussende bezwering van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. Immers, de OESO-economen hebben de impact van vorige crises consequent onderschat. In december 1990 voorspelde de OESO twee procent groei voor de rijke economieën, terwijl de werkelijke groei 0,8 procent bleek te zijn. Maar Amerika vormt het grootste risico. De Federal Reserve zal de rente sterker verhogen dan velen nu verwachten, als gevolg waarvan de nieuwe technologiebedrijven nog sterker overgewaardeerd zullen lijken dan nu. Als die luchtballon knapt zullen de bedrijven en consumenten hun uitgaven beperken om de schuldenlast te verminderen. Want ook een nieuwe economie is niet immuun voor oude risico's.

www.economist.com