Achter het laatste pad dreigt de oorlog

De spanningen lopen op aan de grens tussen Servië en Kosovo. Servische troepen trekken zich samen, uitgedaagd door een nieuwe Albanese guerrillagroep. Het slaperige gehucht Dobrosin is ruw wakker geschud.

Dobrosin staat op geen enkele kaart. Alleen de boeren weten de weg. Een van hen gebaart met zijn hand naar een bruine heuvel en zegt: ,,Voorbij de school, voorbij de brug, voorbij het laatste Kosovaarse dorp. Aan het eind van de weg begint het pad naar Dobrosin.'' Even later leidt een modderig karrespoor de heuvel op.

Dobrosin is niet meer dan een gehucht: een moskee, zo'n zestig boerenhuisjes en een enkel bakstenen paleis, gebouwd met de Zwitserse franken of de Duitse marken van een gastarbeider. De regen spoelt oranje modder door de aangestampte straten.

Het dorp mag dan op geen enkele kaart staan, de ogen van de internationale gemeenschap zijn dezer dagen op het Servische boerengehucht gericht. KFOR-bevelhebber Klaus Reinhardt noemde het slaperige Dobrosin vrijdag een ,,regionaal veiligheidsprobleem''. Dobrosin dreigt zelfs de inzet te worden van een nieuwe oorlog tussen Serviërs en Albanezen.

Zo'n driehonderd meter van de Kosovaarse grens ligt het dorp; met hun verrekijkers zien de Amerikaanse KFOR-soldaten alle bewegingen in het dorp, maar patrouilleren mogen ze er niet. Dobrosin ligt immers op Servisch grondgebied. Het dorp, dat alleen Albanese inwoners telt, valt wel binnen de zogenoemde veiligheidszone; een strook van vijf kilometer breedte langs de Kosovaarse grens. Die zone is ingesteld door de NAVO, na de terugtrekking van Miloševic' troepen uit Kosovo.

Eigenlijk mogen alleen lokale agenten en grensbewakers uit Servië zich in de veiligheidszone ophouden. Maar steeds vaker zegt de vredesmacht KFOR signalen te krijgen over troepenversterkingen uit andere delen van Servië, gestuurd door het regime in Belgrado. Die beweringen worden bevestigd door uit Zuid-Servië gevluchte Albanezen, die vertellen over meer verkrachtingen, meer uitzettingen en meer wegblokkades.

De Albanezen houden zich ook niet aan de afspraak. Sinds een maand patrouilleert een groep gewapende Albanezen in Dobrosin. Het `Bevrijdingsleger voor Presevo, Medveja en Bujanovac' (UÇPMB) noemen ze zich, naar drie grotere plaatsen in de buurt van Dobrosin. De zelfbenoemde burgemeester van Dobrosin, de Albanees Rabit Sacipi, omschrijft het nieuwe bevrijdingsleger als ,,een kleine groep mannen, vaak tussen de twintig en dertig jaar oud''.

Hij staat naast de moskee van Dobrosin en schuilt, onder het afdakje van een schuur, tegen de regen. Volwassen mannen doen hink-stap-sprong, kippen scharrelen overal rond, een tractor zonder profiel op de banden glijdt voorbij.

Vervolg OORLOG: pagina 5

OORLOG

`Ga maar weg, morgen komen ze bij jou langs'

Vervolg van pagina 1

Op 26 januari werd Dobrosin ruw gestoord in haar slaap. ,,Op die dag vermoordden Serviërs twee Albanese broers, houthakkers, in het bos. Sindsdien durft geen houthakker of boer meer naar het bos of naar de velden'', verklaart Sacipi. Sinds die tijd ook verschijnt het UÇPMB geüniformeerd en gewapend in de straten van Dobrosin. ,,Ze klopten op onze deuren en zeiden: wij gaan jullie verdedigen.''

Hij staat daar maar, de burgemeester die alle macht is kwijtgeraakt aan het ongeregelde zootje van het UÇPMB. In één uur in de druipende regen komen zeven leden voorbij: jongens met pukkels in veel te grote camouflagepakken, mannen in groene overalls en een barse commandant in een zwart uniform. Hun enkelschots geweren bungelen achteloos over de schouders, een enkeling draagt een pistool met de inscriptie van het UÇK, het Kosovo Bevrijdingsleger dat tegen Servië vocht maar daarna zijn wapens moest inleveren en werd omgevormd tot een civiel `protectiekorps'.

De internationale gemeenschap is meer dan bezorgd. De illegale Albanese patrouilles in Dobrosin konden wel eens het begin van een nieuwe oorlog zijn. Blijft de Albanese guerrilla uitdagend op Servisch grondgebied paraderen, dan kan een Servische reactie niet uitblijven. Zo kan de NAVO opnieuw gedwongen worden tot een gewapend treffen met Servië.

Bij de VN en de NAVO proberen ze wanhopig het tij te keren. KFOR-bevelhebber Reinhardt belegde vrijdag haastig een persconferentie: ,,We kunnen niet toestaan dat geweld wordt geëxporteerd vanuit Kosovo naar de Preševo-vallei.'' UÇK-leider Hashim Thaçi werd opgetrommeld om het nieuwe Albanese bevrijdingsleger te veroordelen: ,,Sommige elementen willen ons opnieuw een confrontatie laten aangaan met Servië. Dit zal niet gebeuren'', mompelde hij. Maar ook hij kan de UÇK-inscriptie op de pistolen van de nieuwe guerrillastrijders niet afvegen en de logo's op hun uniformen, die identiek zijn aan het UÇK-logo, niet uitwissen.

Op de grens met Servië zijn de Amerikaanse soldaten minder zeker dan hun opperbevelhebber, ondanks de extra controles, patrouilles en tanks. ,,De Albanezen provoceren ons, lopen recht onder onze neus met hun wapens te zwaaien. Maar wat kunnen wij doen? Ze lopen op Servisch grondgebied'', zegt een van hen.

De Albanese bevolking in Zuid-Servië neemt inmiddels het zekere voor het onzekere en vlucht met honderden tegelijk over de grens, naar Kosovo. Vorige week namen achthonderd mensen de wijk, sinds de moord op de twee Albanese broers zijn meer dan tweeduizend Albanezen naar Kosovo gevlucht.

Sommigen zeggen te zijn geslagen of beroofd door MUP-agenten, de gevreesde Servische politie van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Anderen zijn louter uit angst voor die politie vertrokken. Burgemeester Rabit Sacipi is een van hen. Daags na de moord kreeg hij van het bevriende Servische regiohoofd te horen: ,,Je kunt beter vertrekken en neem je gezin mee. Morgen konden ze wel eens bij jou langskomen.''

Sacipi bedacht zich geen ogenblik en bracht zijn familie naar Kosovo. Nu wonen ze op een verdieping boven een restaurant in het dorp Mališevo; zijn ouders, vrouw en kinderen, twaalf mensen. En iedere dag gaat burgemeester Racipi naar `zijn' dorp, om voor het donker weer naar Kosovo te rijden.

Het worst case scenario ligt klaar bij de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR. ,,In het ergste geval vluchten zeventigduizend Albanezen naar Kosovo'', zegt een woordvoerder. Dat is de totale Albanese bevolking in het zuiden van Servië. De sportschool in de stad Gnjilane is al ingericht met bedden en de Kosovo-Albanezen zijn opgeroepen kamers beschikbaar te houden. De UNHCR kreeg onlangs een veeg uit de pan over haar optreden tijdens de NAVO-bombardementen (te traag, te bureaucratisch, niet voorbereid). Dat zal haar niet nog een keer gebeuren. De woordvoerder is zelfverzekerd: ,,We zijn er klaar voor.'' De achterblijvers uit Dobrosin en omgeving kunnen komen.