Pionierend cellist

De cellist en gambist Carel van Leeuwen Boomkamp, die zaterdag op 93-jarige leeftijd overleed in zijn woonplaats Huizen, was een van de pioniers van de `authentieke' muziek in ons land, vooral met zijn vele historische Bach-uitvoeringen. Hij gaf les in het cello- en gambaspel aan talloze leerlingen – onder anderen aan Gustav Leonhardt – en verwierf enorme bekendheid als bespeler van de destijds zeldzame gamba in vele uitvoeringen van de Matthäus Passion, van 1929 tot ver in de jaren '60.

Jan Carel van Leeuwen Boomkamp werd op 11 augustus 1906 geboren in Borculo, waar zijn vader dominee was. Hij studeerde bij Gérard Hekking in Parijs en werd in 1924, op zijn 19de, solocellist van de Haarlemse Orkestvereeniging. Kort daarop kreeg hij dezelfde functie bij het Concertgebouworkest, hij was daarmee de jongste solocellist uit de geschiedenis van het orkest. Van Leeuwen Boomkamp vertrok in 1930, waarna hij met succes optrad als solist en werkte als docent aan de conservatoria in Rotterdam, Den Haag, Amsterdam en Utrecht. Anner Bijlsma, een van zijn leerlingen, werd ook al jong solocellist bij het Concertgebouworkest.

Van Leeuwen Boomkamp speelde veel kamermuziek. Hij was jarenlang lid van het Nederlands Strijkkwartet, dat hij in 1966 verliet wegens zijn grote lespraktijk. Voor de oorlog vormde Van Leeuwen Boomkamp een trio met Alexander Borovsky en Nicholas Roth, hij was lid van het gezelschap Alma Musica en met de violisten Willem Noske en Piet Nijland en de klavecinist Hans Schouwman vormde hij in 1958 het ensemble Sonata da Camera.

Met Jan Willem Noske deelde hij een grote belangstelling voor oude muziek. Noske legde een grote collectie Nederlandse muziek aan. Van Leeuwen Boomkamp was in Bach en historische uitvoeringspraktijken geïnteresseerd geraakt uit onvrede over de in elke editie variërende aanwijzingen voor de voordracht van Bachs Zes suites voor cello solo. Hij bracht een grote collectie oude muziekinstrumenten bijeen en bestudeerde op basis van manuscripten de oorspronkelijke bedoelingen van de componist, decennia lang droeg hij die verworvenheden uit bij het concertpubliek en zijn leerlingen, waardoor Van Leeuwen Boomkamp een hoofdrol vervult in het boek Oude muziek in Nederland (1991) van Jolande van der Klis. Zo was hij in ons land de eerste die het Celloconcert in D van Haydn speelde op authentieke wijze: mèt hobo's en hoorns en op vijfsnarige violoncello piccolo.

Nadat Van Leeuwen Boomkamp eerst een zessnarige gamba had bespeeld uit de collectie van de Haagse bankier Scheurleer, bestelde hij bij de Amsterdamse vioolbouwer Max Möller sr een zevensnarige gamba. Die was volgens hemzelf te zwaar, maar hij moest zich aanpassen aan de toenmalige smaak, die vroeg om een grote toon. Möller bouwde voor hem ook een violoncello piccolo, ondanks aanvankelijk ongeloof in de mogelijkheden van zo'n instrument.

Carel van Leeuwen Boomkamp bespeelde de gamba in 1929 in Naarden tijdens zijn eerste Matthäus Passion. De door Evert Cornelis geleide uitvoering van de Nederlandse Bachvereniging was 200 jaar na het ontstaan van het werk ook de eerste complete uitvoering in ons land. Het was ook de definitieve breuk met de uitvoeringsstijl van Mengelberg, in Amsterdam toen nog de chef-dirigent van Van Leeuwen Boomkamp. De door hem op gamba begeleide aria's Geduld en Komm süsses Kreuz werden door Mengelberg altijd gecoupeerd.

Van Leeuwen Boomkamp bleef het conventionele repertoire spelen op de `normale' cello en kon deels waardering blijven opbrengen voor de Bachstijl van Mengelberg, al ging die hem uiteidelijk te veel in de richting van het dikke Duitse pathos. ,,Hij legde je weliswaar zijn eigen stijl op, dirigeerde als het ware je hele solo, maar liet je toch genoeg vrijheid, hij hield je stevig in de hand en voerde je zo tot grote hoogte.''

Ondanks zijn vaak moeilijke en omstreden pioniersrol was Van Leeuwen Boomkamp geen eenkennig purist. Hij geloofde in blijvende evolutie van de voordrachtstijl: ,,Iedere tijd geeft dat wat die tijd nodig heeft. (...) Ik geloof daarom ook niet dat we nu de waarheid gevonden hebben. Iedere tijd heeft zijn eigen waarheid en alles komst aan de orde als de tijd daar is.''

Van Leeuwen Boomkamp schreef De klanksfeer der oude muziek (1946) en (samen met J.H. van der Meer) The Carel van Leeuwen Boomkamp collection of old musical instruments (1970). In 1966 werd hij ridder in de orde van Oranje-Nassau.