Oude bekenden kermen naar de sterren op Poëzienacht

Het vierde lustrum van de Nacht van de Poëzie werd gevierd met een parade van bewezen successen, zoals Campert, Claus, Kouwenaar en Dichter des Vaderlands Komrij.

`Round up the usual suspects' moeten de organisatoren van de Nacht van de Poëzie hebben gedacht. De twintigste editie van de jaarlijkse dichtersmarathon in Muziekcentrum Vredenburg was een feest van herkenning, maar ook een parade van voorspelbaarheid. Een kwart van de dichters was er in 1980 ook al bij, de overigen waren bewezen successen als Campert, Claus, Komrij en Rawie. Geen wonder dat de gemiddelde leeftijd van de dichters uitkwam op 58 jaar, 3 maanden en 8 dagen – ,,slechts enkele jaren hoger dan het gemiddelde CDA-lid'' merkte presentator Anton Korteweg aan het begin van de avond op.

Was het toeval dat de dood in de nacht van zaterdag op zondag een van de belangrijkste thema's bleek? `Hoe dichter de dichters bij hun sterven geraken/ Des te grimmiger kermen zij naar de sterren' declameerde Claus tegen half twaalf, en toen hadden de 2500 bezoekers daarvan al vele sterke staaltjes gehoord. Vooral de oudste deelnemers ontroerden: Hanny Michaelis (77), die helaas al bijna dertig jaar niets heeft gepubliceerd, las een nieuw weemoedig vers over haar vermoorde ouders (`ingelijfd bij de legendarische zes miljoen') en wees op de eindigheid van de herinnering (`dan zal het zijn of wij drieën nooit hebben bestaan'); de 87-jarige Adriaan Morriën begon zijn quasi-naïeve gedicht `Het beloofde land' met de regel `Over de de dood wil niemand met mij spreken' en eindigde met: `Ik vraag toch niet naar de bekende weg?/ Hij bestaat toch, de dood?' Andere dichters, zoals de Vlamingen Eddy van Vliet en Leonard Nolens, verontschuldigden zich met een kwinkslag wanneer ze bij het lezen op een te somber spoor terecht kwamen.

Comic relief was er nauwelijks. Behalve bij Tom Lanoye, die een reprise gaf van zijn overrompelende voorlezing van Ten oorlog tijdens de Nacht van 1998 (de basis voor de Shakespeare-solotournee waarmee hij dezer dagen door het land trekt). En bij Simon Vinkenoog. De organisator van Poëzie in Carré, het oerpoëziefestival uit 1966, declameerde een 35 jaar oude klaagzang over Nederland (`wanneer worden we volwassen?'): retorisch nogal gedateerd maar door de nog steeds actuele verwijzingen af en toe grappig. Het publiek gaf hem een stormachtig applaus, misschien ook omdat hij de eerste was die de performer uithing en zo opviel tussen de gewijde-sfeermakers op de ivoren katheder. Zijn voorbeeld werd gevolgd door Willem Jan Otten, die uit het hoofd en midden op het podium onder meer drie Penelope-gedichten voordroeg, onder het motto `dichters zijn mensen die van missen iets kunnen maken'.

Gelachen werd er bij het optreden van Gerrit Komrij, tegen drieën. De Dichter des Vaderlands las een aantal sonnetten uit zijn bundel Bij het Verglijden van de Eeuw, en keek verbaasd op toen de zaal begon te juichen bij zijn aankondiging van het gedicht `Vitesse'. Het bleek niet de première van een gelegenheidsgedicht over de problemen van de gelijknamige eredivisieclub, maar een sombere bespiegeling over vooruitgang in de twintigste eeuw. Komrij, een erkend sporthater, begreep de lichte teleurstelling van het publiek niet.

De twintigste Nacht van Poëzie, die om vier uur dynamisch werd afgesloten door het slagwerkkwintet van Cesar Zuidewijk en de jongste aanwezige dichter (Ilja Leonard Pfeijffer, 31), was niet de spannendste uit de geschiedenis. De traditionele relletjes en de poëtische doorbraken die beschreven worden door Koen Vergeer in zijn jubileumboekje Poëzie in Vredenburg bleven uit; en ook de entr'actes (een saxofoonoktet, een flamencodanser) waren uiterst braaf, zelfs als je ze niet vergelijkt met de spectaculaire messengooinummers of campy optredens uit het verleden. Nacht-veteraan Raymond van het Groenewoud kreeg om twee uur het publiek nog wakker met snelle gospels; maar het zinnetje waarmee hij opkwam, vatte de nacht helaas het beste samen: ,,Hallo, hier ben ik dan weer.''

De geschiedenis van `Twintig jaar Nacht van de Poëzie in Utrecht' wordt beschreven in het boekje `Poëzie in Vredenburg' van Koen Vergeer (Atlas, 124 blz. ƒ34,90).