`Op Bump is er veel ruimte voor gitaar'

De Amerikaanse gitarist John Scofield maakte een zinnelijke cd met een vitale mix van jazz, rock en funk. ,,Ik hou bijzonder van dat fysieke aspect van jazz.''

Eigenlijk is John Scofield een zanger. Maar dan een zanger zonder vertrouwen in zijn eigen stem, een zanger die de snaren van zijn gitaar prefereert boven zijn stembanden. Dat neemt niet weg dat hij al ruim twee decennia echte songs speelt, met pakkende refreintjes, die erom vragen te worden meegeneuried, en melodielijnen die de hele dag door je hoofd blijven spoken. ,,Ik sta er best voor open dat iemand eens woorden schrijft bij mijn muziek'', zegt de 49-jarige Amerikaan. ,,Maar het zijn vaak sentimentele zangeresjes met zeurderige teksten die mij benaderen. De juiste tekstschrijver ben ik nog niet tegengekomen. Dat komt waarschijnlijk doordat ik nu eenmaal in de jazz werk, een genre zonder tekst. Maar het mooie van instrumentale muziek is dat het te begrijpen is op een directe, niet-intellectuele manier. Ik hou bijzonder van dat fysieke aspect van jazz.''

Die zinnelijkheid straalt ook af van Scofields nieuwste cd, de twintigste onder eigen naam sinds zijn debuut als bandleider in 1977. De twaalf songs van Bump staan op het kruispunt tussen rock, jazz en funk, en kennen zo'n dwingende groove dat de luisteraar zijn uiterste best moet doen om nek- en beenspieren in bedwang te houden. Behalve de invloed van Miles Davis' fusion-periode, waarvan Scofield als bandlid het staartje meemaakte in de vroege jaren '80, weerspiegelt Bump ook Scofields jeugdliefde voor rock `n' roll en zijn leertijd als sideman van jazz-groten als Charles Mingus en Lee Konitz. Volgens de gitarist is de cd het logische vervolg op A Go Go uit 1997 waarop hij rock, jazz en funk tot een stomend geheel smeedde.

Op die voorlaatste cd speelde Scofield met het in de Verenigde Staten populaire trio Medeski, Martin & Wood. Ook voor de opnames van Bump nodigde hij een groep jonge muzikanten uit, waaronder slagwerkers Eric Kalb en Johnny Durkin van de Engelse funkband Deep Banana Blackout, Soul Coughing-toetsenist Mark De Gli Antoni en de ritmesectie van het New-Yorkse postmoderne jazz-kwartet Sex Mob. ,,Ik ontmoette ze op Amerikaanse jam band festivals dat zijn concerten waar lang uitgerekte, geïmproviseerde sets worden gespeeld, een beetje in de traditie van The Grateful Dead. Ondanks het leeftijdsverschil hebben we dezelfde roots. Zij houden van hetzelfde aardse rhythm & blues-geluid als ik. Als we spelen is er geen sprake van een generatiekloof.''

Ondanks de lange lijst muzikantennamen op de cd-hoes negen in totaal klinkt Bump bijzonder open en licht. ,,In ieder nummer hoor je maar een kleine band, maar wel telkens een andere band. Zo heb ik afwisselend Eric Kalb, een echte funkmaster, en Kenny Wollesen, die weer erg sterk is met rockritmes en de wat subtielere jazzbeats, ingezet. Op die manier is de variatie in ritme zo groot mogelijk. En in plaats van een orgel waarmee alles wordt dicht geplamuurd, zitten er sfeervolle ambient samples in de nummers verwerkt. Op die manier blijft er lekker veel ruimte over voor de gitaar.''

En de gitaar is op Bump alom aanwezig. ,,De elektrische gitaar blijft mijn belangrijkste instrument. Ik kan er gewoon sneller op spelen en de effecten die je eruit kan halen zijn bijna onbeperkt. Maar ik heb voor Bump ook veel akoestisch gespeeld vanwege de specifieke klankkleur van de akoestische gitaar. Je kunt het geluid van tien elektrische gitaren op elkaar stapelen en dan klinkt het nog als twee, het is enkel een kwestie van meer volume. Maar als je er dan een akoestische gitaar onder zet, dan wordt de toon werkelijk dikker. Dat is ook precies de reden waarom ik niet hou van gitaarkeyboards zoals bijvoorbeeld Pat Metheny ze gebruikt. Ze zitten te dicht tegen het geluid van de elektrische gitaar, ze zitten in de weg.''

Maar verwacht van Scofield niet het hoge, gelikte geluid van keyboards of het keurige, noot-voor-noot gearticuleerde spel waar de voorkeur van de meeste jazz-gitaristen naar lijkt uit te gaan. Scofield laat zijn instrument grommen, gillen, schmieren en stotteren binnen een klankbereik dat zich uitstrekt van heavy metal-achtige gruizigheid tot klassieke helderheid. Met zijn spel weet hij dan ook niet alleen een jazz-publiek aan te spreken, maar ook liefhebbers van rock en pop.

,,Ik doe geen moeite om de hedendaagse smaak bij te houden. De manier waarop sommige oudere muzikanten geforceerd jong doen is regelrecht zielig. Ik ben óf altijd al hip van mezelf geweest óf ik ben het nooit geweest maar dan maakt het blijkbaar niets uit. Natuurlijk probeer ik uit mijn muzikale invallen datgene te selecteren dat luisteraars aanspreekt. Ik wil een publiek, net als iedere andere muzikant. Maar als ik iets heb bedacht dat minder catchy is iets met veel lastige hoeken en chaotische free jazz-herrie bijvoorbeeld komt het er uiteindelijk wel uit. Ik zal er niet een hele plaat mee vol spelen, maar het zal zeker opduiken in nummers, gecamoufleerd met een lekker in het gehoor liggende melodie.''

En als hij een muzikale ingeving niet kwijt kan op een eigen cd, dan kan Scofield hem altijd nog onderbrengen bij een van zijn talloze andere bands, die hij overigens steevast `projecten' noemt. ,,Samen met Billy Higgins, Brad Mehldau, Kenny Garrett en Christian McBride heb ik net een plaat gemaakt met ouderwetse rechttoe-rechtaan jazz. Maar ook rock en funk blijf ik leuk vinden.

Scofield strijkt eens langs de hals van de gitaar die hij gedurende het hele interview op schoot heeft gehouden, grijnst breed en concludeert: ,,Misschien dat ik ooit nog eens settle, maar ik denk het niet: ik ben bijna vijftig en voel absoluut geen aandrang om me te beperken.''

Scofield: Bump (Verve, 543 430-2) Distr. Universal.