Mea culpa luidt vernieuwing in

Sceptici noemen het gisteren door de paus uitgesproken mea culpa een goedkoop en theatraal excuus. Maar de schuldbelijdenis kan wel degelijk de aanzet vormen tot een ingrijpende vernieuwing van het zelfbeeld van de rooms-katholieke kerk, vindt Peter Nissen.

Als men rustig en zonder vooroordeel de onvervalste bronnen betreffende het verleden in beschouwing neemt, dan blijken deze als vanzelf een schitterende verdediging van de kerk en het pausschap te leveren'. Deze zelfverzekerde woorden komen uit het tot voor kort enige officiële kerkelijke document dat expliciet gewijd was aan de geschiedenis van de rooms-katholieke kerk. Het betreft de breve Saepenumero considerantes, in 1883 uitgevaardigd door paus Leo XIII.

Deze paus, beslist niet de geringste onder de 264 pausen als het gaat om zijn waardering voor de wetenschap en zijn gevoel voor eigentijdse vragen, had een uitgesproken apologetische opvatting van de kerkgeschiedenis. Het verleden van de kerk moest ijverig bestudeerd worden, zo hield hij de lezers van zijn breve voor. Zelf had hij daarvoor mede de mogelijkheden geschapen door in 1881 de Vaticaanse archieven voor wetenschappelijk onderzoek open te stellen. Maar dat onderzoek moest en zou alleen maar leiden tot meerdere eer en glorie van de kerk zelf. Het zou leren ,,dat het pausdom altijd als overwinnaar uit strijd en geweld is te voorschijn gekomen en dat zijn bestrijders hun hoop verijdeld zagen en zichzelf de ondergang hebben bereid'', aldus Leo XIII. Over het pausdom als veroorzaker van strijd en geweld geen woord in de breve van 1883.

Er ligt een wereld van verschil tussen de breve van Leo XIII en het document `Herinnering en verzoening: de kerk en de fouten van het verleden', dat vorige week dinsdag in Vaticaanstad werd gepresenteerd en dat als het ware de theoretische verantwoording vormt voor het mea culpa dat paus Johannes Paulus II gisteren namens de rooms-katholieke kerk heeft uitgesproken. In dat document wordt nadrukkelijk afstand genomen van een apologetische benadering van de geschiedenis. De kerk, zo zegt het, `is niet bang voor de waarheid die uit de geschiedenis naar voren komt en is bereid om fouten toe te geven'. De paus heeft dat, samen met een aantal kardinalen, op rituele wijze gedaan.

Aan dat erkennen van fouten moet een zorgvuldige historische analyse voorafgaan, waarbij rekening wordt gehouden met de context, de denkwijzen en mentaliteiten, de omstandigheden en de levende dynamiek waarin woorden en daden uit het verleden geplaatst moeten worden. Die analyse vormt de grondslag voor een theologische evaluatie en een morele beoordeling van het verleden. En tot die morele beoordeling van het verleden van de kerk geeft het document op een aantal punten – het gebruik van geweld, de relatie met het jodendom en de scheuringen in het christendom – zelf een stevige aanzet.

De eerlijkheid waarmee dat gebeurt, lijkt velen in de westerse wereld ongetwijfeld vanzelfsprekend, maar zij is dat in het rooms-katholicisme allerminst. Daar overheerste nog niet zo heel lang geleden het beeld van de kerk als een societas perfecta, een volmaakte gemeenschap, als het ware uit de hemel neergedaald, heilig, vlekkeloos en onfeilbaar, of in de woorden van Paulus: `een bruid zondervlek of rimpel' (Brief aan de Efeziërs 5,27). Bij de presentatie van het document `Herinnering en verzoening' gebruikte kardinaal Roger Etchegaray een heel ander beeld: ,,Het lichaam van de kerk is vol littekens en prothesen, haar oren zijn vervuld van het kraaien van de haan tijdens het verraad, en haar agenda staat vol gemiste afspraken''.

Het is in de context van de katholieke traditie een gewaagde beeldspraak. De afgelopen week klonken dan ook al kritische geluiden in kringen van behoudende katholieken, ook in de Romeinse curie. Door zich in zijn preek van gisteren uitgesproken lovend uit te laten over het document, lijkt de paus antwoord te geven aan deze critici. Bij de presentatie van het document was namelijk expliciet aangegeven dat het niet een tekst van het kerkelijk leergezag is. Het is opgesteld door een werkgroep uit de Internationale Theologencommissie, een selecte groep van dertig theologen die functioneert als denktank en adviesorgaan van de Congregatie voor de Geloofsleer. De prefect van deze congregatie, de als behoudend bekend staande kardinaal Joseph Ratzinger, is ambtshalve voorzitter van de Internationale Theologencommissie en bepaalt ook wie er lid van wordt. Daarvoor zullen niet de meest vooruitstrevende katholieke theologen gevraagd worden.

Wie er echter bij voorbaat van uitgaat dat deze commissie alleen maar oude theologische prakjes zal opwarmen, komt bij `Herinnering en verzoening' bedrogen uit. Het is een verrassend en vernieuwend document. Het is bijvoorbeeld uitgesproken eerlijk in de vaststelling dat wat de paus nu doet volstrekt nieuw is. In de katholieke traditie, waarin het steeds zaak was aan te tonen dat leven en leer van de kerk op een eeuwenoude continuïteit berusten, is dit beslist gewaagd. Het document verkent de precaire verhouding tussen de geclaimde heiligheid van de kerk en haar voortdurende behoefte aan hervorming en vernieuwing, buigt zich over de verhouding tussen historische interpretatie en theologische evaluatie, tussen subjectieve en objectieve verantwoordelijkheid, tussen het collectieve geheugen en de zuivering van de herinnering. Tussen de regels door ondermijnt het document daarmee het arrogante zelfbeeld van de katholieke kerk dat eeuwenlang opgeld heeft gedaan.

De paus heeft zich nu min of meer expliciet achter het document geschaard en de toepassing ervan zelfs uitgebreid: in de schuldbelijdenis kwamen veel meer fouten van `zonen en dochters van de kerk' ter sprake dan in het document zelf. Dit kan niet anders betekenen dan dat het document niet het laatste woord vormt. Het vormt binnen de rooms-katholieke kerk de aanzet tot een nieuw, nuchter en kritisch zelfbeeld van de kerk. Een zelfbeeld dat voortaan niet anders dan gecontextualiseerd kan zijn: ingebed in en bemiddeld door concrete historische omstandigheden. En dat gecontextualiseerde denken moet op termijn ook consequenties gaan hebben voor het omgaan met de geloofsformules die de kerk nu nog dwingend hanteert. Ook die zijn immers ontstaan in specifieke historische omstandigheden en worden door die omstandigheden getekend. Wie het document Herinnering en verzoening serieus neemt, zal moeten erkennen dat ook in de kerk van Rome de absolute waarheidsclaim plaats zal moeten maken voor een bescheiden zoeken naar waarheid in de hermeneutiek van de historische ervaring.

,,Het erkennen van de zwakheden van het verleden opent nieuwe toekomst voor iedereen'', zo besluit het document. In die toekomst en in het concrete handelen van de kerk nu ligt uiteindelijk de toetssteen voor de waarde van dit document en van het mea culpa van de paus. Om in Feijenoordtermen te spreken: 'geen woorden, maar daden'. Als de kerk afstand wil nemen van intolerantie en dwang, van uitsluiting en veroordeling, dan heeft zij nog een hele agenda af te werken. En het is te hopen dat zij dan wel haar afspraken nakomt.

Prof.dr. Peter Nissen is hoogleraar kerkgeschiedenis aan de KU Nijmegen.