Elke vraag vraagt het onmogelijke

,,Bidt dáár dan eens voor, Willem Jan Otten'' beet H.M. Kuitert Otten toe in een reactie op Ottens rede `tot de ontwikkelden onder de verachters van de christelijke religie'. Dat `dáár' was dat mensen wijzer zouden zijn dan de paus en dat ze wel condooms zouden gebruiken in Afrika, een wens die niet moeilijk valt te delen maar waarvan je je afvraagt of het in vervulling gaan ervan veel dichterbij komt als iemand daar om bidt. Kan de wereld überhaupt anders ingedeeld worden als mensen daar maar in hun gebeden om vragen? ,,Laat mijn grootmoeder beter worden, laat de zon niet doven, maak dat ze een middel tegen kanker vinden, zorg dat ik de trein haal en dat de oorlog in Tsjetsjenië ophoudt'' we zouden zo veel willen maar de vraag is of het erg zinvol is om daar al biddend om te vragen.

Gerrit Achterberg schreef een gebedgedicht waarin hij vraagt: ,,Red Marsman, die in Frankrijk woont, o God'' heb ik altijd een sterk ontroerende regel gevonden. Dat komt misschien omdat het een gedicht was, en omdat het verzoek zich niet tot ons, de lezers, maar tot God richtte. Dat geeft het een grote oprechte kracht. Het klinkt veel waarachtiger gemeend dan als Achterberg had geschreven: `ik hoop dat Marsman deze oorlog overleeft'. Wie zich in het openbaar tot God richt, laat zien wat hij ten diepste meent. Want wie bidt, liegt niet. Dus misschien zou het nog iets zijn om in het openbaar van een onzichtbare macht af te smeken dat aids uit Afrika zou verdwijnen dankzij condoomgebruik. Hoewel. Dan moet degene die dat doet, zijn of haar gebed wel een heel overtuigende vorm geven. Dominee Nico ter Linden schreef eens in een column dat hij zo prachtig kon bidden: `ik bid de sterren van de hemel'. Misschien kan hij het eens proberen. Maar zulke vragen klinken al gauw, hoe oprecht gemeend en hoe prachtig gebeden ook, enigszins belachelijk. Misschien zijn ze te groot. Bijna vanzelf komt dan de vraag in je op: wie heeft die aids dan in Afrika doen ontstaan. Diezelfde God soms? En dan wordt alles heel kinderachtig en dom.

Wat is bidden dan eigenlijk. In zijn rede zegt Otten dat bidden het meest lijkt op luisteren. ,,Al biddend richt je je tot iemand die onmiskenbaar luistert, en je probeert het zo geconcentreerd te doen dat het is of je naar deze Luisteraar luistert.'' Hm, ja. Ik weet niet zeker of ik dat begrijp. Elk verzoek is met dit soort gebed natuurlijk meteen van de baan. Maar wat wordt dan beluisterd? Misschien vraagt het gebed om iets te kunnen horen? In het gedeelte van Goethes Harzreise im Winter dat Brahms voor zijn Alt-Rhapsodie gebruikte, zingt een alt over een man die, teleurgesteld in de liefde, tot mensenhaat en zelfzucht is vervallen: ,,Eerst veracht, nu een verachter.'' Het koor valt de alt bij. Aangezien de man niet meer door alt en koor te redden is, doen ze iets anders. Ze bidden. ,,Ist auf den Psalter, Vater der Liebe, ein Ton/ Seinem Ohre vernehmlich,/ So erquicke sein Herz!'' Ze vragen dus of het mogelijk is dat de afgedwaalde iets te horen krijgt. Ze vragen of hij mag leren luisteren. Wat, volgens Otten, denk ik, hier hetzelfde zou zijn als: of die man mag leren bidden.

Dat smekende koor werkt op dezelfde manier als Achterbergs gedicht: prachtig. Deze vorm vertegenwoordigt, meer dan enige andere, de belangeloosheid. Iets met volle inzet vragen voor een ander.

Daar zit zeker ook een deel van de overtuigingskracht in, dat het om een ander gaat. Wie iets voor zichzelf vraagt, al biddende, lijkt meer op een kind dat nog gelooft dat het in het middelpunt van de wereld staat. In het laatste deel van Voskuils Het bureau, citeert Maarten Koning een gedicht dat in de oorlog circuleerde, het gebed van een vliegenier, een gedicht dat hem, hij bekent het met enige verlegenheid, ontroerde. ,,Almighty and alpresent power, short is the prayer I make to thee. I do not ask in battlehour for any shield to cover me. The vast unalterable way, from which the stars do not depart, may not be asked to turn aside to keep the bullet flying to my heart.'' De vliegenier vraagt niet om redding, wel, in de laatste regels, om bijstand in het uur van zijn dood. Misschien betekent dat laatste dat hij hoopt dan het gevoel te zullen hebben dat er nog iemand luistert. Wat zo mooi is aan dit gedicht, is dat de vliegenier juist niet vraagt of God iets aan de loop van de wereld wil veranderen, zelfs vindt hij dat absurd je kunt niet verlangen dat de sterren hun baan verlaten. Precies zo schrijft Jorge Luis Borges in zijn prozagedicht `Een gebed' dat hij niet aan God wil vragen of die zijn dreigende, naderende blindheid wil voorkomen: ,,Het voortgaan van de tijd is een netwerk van gevolgen en van oorzaken, en vragen om een gunst hoe gering ook staat gelijk met het vragen om de verbreking van een las van dat ijzeren netwerk, met vragen of de breuk al een feit zij. Niemand verdient zo'n wonder.'' Elke vraag vraagt het onmogelijke. Het lot staat vast. Misschien maakt dat Achterbergs gedicht trouwens ook zo aangrijpend: dat je zeker weet dat het niet helpt, dat het niet geholpen heeft. Marsman is niet zo lang daarna omgekomen.

Als vragen niet kan, omdat het netwerk van gevolgen en van oorzaken geen breuk duldt, is dankbaarheid, een ander geregeld terugkerend gevoel in – openbare – gebeden, dan niet net zo onzinnig? Tot op zekere hoogte lijkt dat wel zo iemand die God dankt omdat een kogel hem niet geraakt heeft, maakt zich min of meer aan hetzelfde egocentrisme schuldig als iemand die van tevoren vraagt om gespaard te worden. Toch is een van de mooiste gebedgedichten die ik ken geheel en al vervuld van dankbaarheid. Het is van de Poolse dichter Zbigniew Herbert en het bestaat uit een lange opsomming van dingen waar het personage Meneer Cogito God voor wil danken, bijvoorbeeld: ,,dat de werken geschapen om u te eren mij een deeltje van hun geheim openbaarden en dat ik in mijn grote arrogantie dacht dat Duccio Van Eyck Bellini ook voor mij schilderden''. Hij dankt maar door, voor iemand die hem de weg wees, voor een ezel die melancholiek balkte, voor de schoonheid en de verscheidenheid van de wereld. Hij vráágt trouwens ook: om iemand te belonen die aardig was, om hem te vergeven dat hij niet onzelfzuchtiger was, om hem te leren `dat ik andere mensen andere talen ander lijden begrijp'. Hoewel van alles gevraagd en toegeschreven lijkt te worden, is dit gedicht eerder ootmoedig dan aanmatigend. En de vorm ervan is overtuigend en mooi.

Is het dan aanmatigend om te bidden dat het in Afrika beter zal gaan? Nee, het is een wens. Kun je iemand anders voorschrijven wat hij oprecht moet wensen? Want plichtmatig bidden is niets. Misschien is dat dan wat eraan verbaasde. ,,Bidt dáár dan eens voor!'' Nee, het meest verbazende is dat die uitroep klinkt alsof degene die hem doet, denkt: als je daar nu maar eens voor zou bidden, dan zou het wel in orde komen. Maar dat gebeurt niet door erom te vragen. Vanwege dat ondoorgrondelijke net van oorzaak en gevolg. Iets veranderen gebeurt door iets te doen. Bidden is iets anders.