De snelschilder

Ik heb een logé in huis. Een kunstschilder uit Moskou. Twee snelle landgenoten van hem hebben hem in de sloppen van de Russische hoofdstad ontdekt en hem mee naar Nederland gesleept. Vladimirs beschermengelen logeren bij kennissen. Vladimir dus bij mij, op een bed in de kamer.

's Ochtends staat hij net zo vroeg op als ik. We ontbijten samen. Ik een gebakken eitje met spek. En hij een flesje sherry: medium dry, dry of nog dryer. Nadat ik naar mijn werk ben vertrokken drinkt hij er nog een fles bessenwijn bij. Dan gaat hij aan het werk. Hij zet zijn ezel op, sorteert de kwasten. Mengt verf en begint met vaste hand te schilderen. 't Is honderd jaar geleden, twee paarden trekken een wagen. Op de bok de koetsier, knallend met zijn zweep. Zijn ogen dichtgeknepen tegen de sneeuwjachten, en dat bij 25 graden onder nul.

Vladimir schildert. Hij krijgt de kans van zijn leven. Zijn zaakwaarnemers verkopen zijn nog natte doeken in de Damstraat voor wel 10.000 gulden per stuk. Hij zal delen in de opbrengst. Later op de dag kelderen de prijzen, van tien- naar vijfduizend, duizend, honderd, niks. De hoofdstedelijke galeriehouder Brummelkamp haalt, nadat zijn deskundige mening over Vladimirs streken is gevraagd, zijn neus er krachtig voor op.

De handelaren geven niet op. Ook Vladimir niet. Thuis wachten immers vrouw en bloedjes van kinderen. Hier lacht hem de toekomst toe, ook voor hen. Hier zal hij rijkdom vergaren, schildert hij uitgelaten. Moedertje Rusland zal hem als rijk man weer in haar armen sluiten. Al zijn schulden zal hij afbetalen. En er zal brood op de plank zijn. Brood met worst en boter. Hij schildert als een bezetene. Maar niet zonder drank. Anders gaat het niet. Iedere dag kwast hij een schilderij. Een paar uur kost het hem.

Ondertussen maakt het verkoopteam zich zorgen. Ze doen er langer over een schilderij te verkopen dan dat Vladimir het schildert. Vladimir begrijpt er niets van. Hij schildert een boerderij met bomen, verloren in een verdronken landschap, een waterig zonnetje door bruingrijs wolkendrab. Hij krijgt het doek weer terug, de mastino's blaffen gemeen. Hij doet het niet goed. Vladimir ziet hun blikkerende tanden. Hij moet anders gaan schilderen. Hij haalt zijn schouders op, neemt een pauze. Op de winterige veranda rookt hij zijn sigaret en drinkt de zoveelste van zijn bessenflessen. Hij denkt aan thuis en dat het goed zal komen. Hij lacht naar me. Omarmt me bij gebrek aan mijn moerstaal iedere dag zo'n dertig keer. Zijn zorgen zinken naar de bodem van de fles.

Dan is zijn tijd voorbij: het geduld van de exploitanten is op. Hij moet terug. Wordt op de trein gezet, enkele reis station Bjelorusskij, Moscwa. Vladimir keert weerom met lege handen. Geruïneerd. Zijn uitbaters volgen kort erop. Geen zorgen, zij zullen zich in iemand anders vastbijten.

Mijn huis ruikt nog wekenlang naar verf. Sommige schilderijen staan er nog steeds.