Zoeker

Het Amsterdamse Gemeentearchief aan de Amsteldijk vertoont de foto's van `amateurfotograaf' Jacob Olie. Pas in 1959 werd zijn enorme voorraad glasplaatnegatieven ontdekt, inmiddels is hij niet meer weg te denken uit kalenders, agenda's en nostalgische plaatjesboeken. Olie was bij lange na niet de enige die het laat-negentiende eeuwse Amsterdam fotografeerde (Breitner deed het ook, en heel veel andere amateurs) maar hij was misschien wel de enige die naar een soort volledigheid streefde.

Op veel plaatsen in Amsterdam zijn in het kader van de expositie reusachtige `billboards' met foto's van Olie neergezet. Ze staan, zoals steeds wordt uitgelegd, zoveel mogelijk op de plaats vanwaar Olie de vertoonde foto maakte. Wie een paar van die billboards goed bekijkt stelt vast dat ze er in werkelijkheid soms tientallen meters naast staan. Olie had er een hinderlijk handje van midden op straat te fotograferen. In 1890 kon dat, in 2000 mag het niet van de taxichauffeur.

Juist het vergelijk dat de billboards mogelijk maken tussen het toen en nu brengt met zich meer dat het bekijken van Olie's foto's, zoals dat heet, gemengde gevoelens oproept. Al te duidelijk laten ze zien hoe er is huisgehouden in Amsterdam, hoe de stad is toegetakeld, wat er in 110 jaar aan grachten is gedempt, bruggen verbreed, bomen gekapt en aan kasseien vervangen. Hoe indrukwekkende gebouwen plaats moesten maken voor nieuwe creatieve uitingen van Nederlands uitgeputte architecten. Waar ooit een paleis voor de volksvlijt stond, of een koepelkerk, staat nu een bank of een of ander Amerikaans hotel. En dit is nog maar het begin natuurlijk, een echte projectontwikkelaar, eenmaal aan het beuken, is niet meer te stuiten.

Zo ontstond de wens met Olie's foto's als uitgangspunt ook de huidige situatie zo secuur mogelijk vast te leggen om ook die foto's na 70 jaar te laten terugvinden, een activiteit die in Amerika wel `rephotography' is genoemd. Maar zou het mogelijk zijn een stadsbeeld precies zo vast te leggen als Olie deed? Ooit is in deze krant door een autoriteit van het kaliber Hermans, Hofland of Kousbroek beweerd dat voor een werkelijk exact dekkende her-fotografie een camera met dezelfde – lange – brandspuntsafstand nodig zou zijn als die van destijds. Eergisteren is onderzocht of het echt zo'n vaart loopt en is van een zestal Oliefoto's een her-foto gemaakt. Steeds één met een Fuji-weggooi camera die beter direct had kunnen worden weggegooid en één met een Minolta X-700 met een brandpuntsafstand van 50 mm.

De foto's, gekozen uit het boekje `Jacob Olie' van uitgeverij De Verbeelding (1999, inleiding Hans Aarsman), werden geselecteerd op de hoogte van het standpunt dat Olie in nam toen hij afdrukte. Wie de selectie van Aarsman bestudeerd komt tot de interessante conclusie dat Olie bij voorkeur fotografeerde vanaf een hoge trap of stellage, zo'n twee, drie meter boven de grond. (Alleen al daaruit valt af te leiden hoe bedachtzaam hij te werk ging.) De historische hoogte is tot op een halve meter nauwkeurig af te leiden uit de vele horizontale lijnen die naar het verdwijnpunt lopen, of uit de positie van de hoofden van voorbijgangers ten opzichte van de horizon.

In 2000 met een trapje midden op straat: dat vindt de taxichauffeur al helemaal niet goed. Alleen de foto's die Olie gewoon met beide benen op de grond maakte kwamen voor het herfotografie in aanmerking. De volgende stap was te bepalen in welke richting hij zich opstelde ten opzichte van het centrale object in zijn foto. Dat bleek al een stuk lastiger. De beeldhoek van Olie's foto's (gemeten in het horizontale vlak) varieert ruwweg tussen 40 en 60 graden, zoals nog het makkelijkst met een peilkompas wordt bepaald. Dat is enerzijds een comfortabel moderne maat, anderzijds zo weinig dat er maar zelden een nauwkeurige kruispeiling is te maken. In de praktijk oriënteert men zich op randen van gebouwen die al of niet vallen over kapelletjes, ramen of schoorstenen van gebouwen die verderop staan.

Het moeilijkst was het derde en laatste deel van de plaatsbepaling: het kiezen van de juiste afstand tot het centrale object. Afhankelijk van de omstandigheden kan daarin makkelijk een fout van vele meters ontstaan. Op de her-foto van het Kleine Gartmanplantsoen (een uitloper van het Leidseplein) die hier staat afgedrukt is de plaatsbepaling drie maal fout gegaan. Het stomst is dat pas achteraf werd ingezien is dat deze foto er nu nèt een was waarvoor Olie door de knieën zakte. Hij is gemaakt vanaf een meter hoogte.

Kortom: voor de bepaling van het juiste `vantage point' moet meer tijd worden uitgetrokken dan het angstige kwartier dat er donderdag aan werd besteed. Dat was ook al duidelijk geworden uit het schitterende `Second View - The Rephotograhic Survey Project' (The University of New Mexico Press, 1984) waarin een aantal Amerikaanse fotografen hun pogingen tonen om landschapsfoto's uit 1870 ongeveer 110 jaar later te reproduceren. Het team van Second View besteedde soms dagen aan één reproductie, niet in de laatste plaats omdat ook geprobeerd werd het juiste seizoen en het juiste moment op de dag terug te vinden.

Ook in Second View komt de vraag aan de orde of foto's met moderne kleinbeeldcamera's wel voor honderd procent tot dekking zijn te brengen met glasplaatfoto's. Het antwoord is `nee', maar de argumentatie is nogal academisch. Lensfouten zijn sowieso niet te reproduceren en in de fotogevoelige albumine-laag van de glasplaat trad vaak een flinke krimp op die als `isomorf' wordt beschreven: in de ene richting sterker dan in de andere. Bovendien kon in de oude camera's de lens scheef ten opzichte van de plaat worden gedraaid om perspectivische vertekening op te heffen.

Maar over de brandpuntsafstand doen de re-fotografen luchtig, dat luistert niet zo nauw. Als de brandpuntsafstand ongeveer gelijk is aan de diagonaal van het negatief is eigenlijk aan de voornaamste voorwaarde voldaan. Alleen bij heel grote beeldhoeken (90 graden of meer) treden aan de randen unieke vervormingen op. Zelfs met een weggooicameraatje is het herfotograferen van Olie's stadsbeelden tot een goed eind te brengen.