Watersnood meevaller voor ambtenaren

Gouden tijden voor de Mozambikaanse bureaucratie. De watersnoodramp is voor de grote en kleine ambtenaar vooral een kans om eens goed aan de internationale hulpverlening te verdienen.

Koekjes uit Italië, legerrantsoenen van het Spaanse leger, Amerikaanse medicijnen: de hele Westerse wereld heeft de afgelopen week vele tonnen aan voedsel en andere hulpgoederen in Mozambique afgeleverd, of directe financiële steun gegeven. Wat gebeurt ermee? Een deel vindt zijn weg naar de naar schatting 500.000 slachtoffers van de overstromingen, maar een niet onaanzienlijk deel wordt in het door en door corrupte land verkocht. Donorgeld en de opbrengst van de `handel' verdwijnt in de zakken van ambtenaren en functionarissen van de regerende Frelimo-partij, een voormalige marxistische beweging.

Hulpverleners en lokale bronnen in Maputo hebben zware kritiek op de regering van president Joaquim Chissano, die totaal geen controle zou willen of kunnen uitoefenen op de eigen ambtenaren. ,,Voedsel en medicijnen bereiken de hulpverleners en de vluchtelingenkampen in onvoldoende mate'', zegt Rob Latham van het Civiel-Militaire Operatiecentrum (CMOC) op het vliegveld van Maputo. ,,Goederen verdwijnen.'' Het internationaal gerunde centrum probeert binnenkomst en distributie van de hulp te coördineren, hetgeen niet eenvoudig is. Het Instituto Nacional de Gestad de Calamidades, een Mozambikaanse overheidsinstelling belast met hulpverlening na rampen, heeft een stevige vinger in de pap en bepaalt waar de hulp naar toegaat. Phil Coghlan, leider van een Brits reddingsteam, mist anderhalve ton hulpgoederen die aan de Mozambikanen was toevertrouwd voor opslag. Coghlan heeft geen idee wat er is gebeurd met de twee miljoen pond die de Britse regering aan Maputo ter beschikking heeft gesteld.

De eerdere kritiek van president Chissano dat de internationale gemeenschap erg laat reageerde op de noodsituatie in zijn land komt op deze manier in een ander daglicht te staan. Ook Graça Machel, de weduwe van Chissano's voorganger Samora Machel ze is nu getrouwd met Nelson Mandela gaf `het Westen' deze week een veeg uit de pan, omdat men ,,te weinig, te laat'' zou hebben gegeven. Internationale hulpverleners zijn hierover gepikeerd. Organisaties als het Wereldvoedselprogramma van de VN en het Rode Kruis zeggen dat ze binnen een acceptabele marge in actie zijn gekomen. ,,Dit riekt naar ondankbaarheid'', snuift een hulpverlener.

Op het hoofdkwartier van de oppositionele Renamo-partij, voorheen een rechtse guerrillabeweging, is men eerst terughoudend over de rol van de regering. Maar na aandringen zegt een partijman dat de regering Chissano vooral zijn eigen mensen helpt en verdient aan de hulpoperatie. Een functionaris van de partij legt uit dat in de noordelijke streken van het rampgebied, waar Renamo veel aanhang heeft, beduidend minder hulp is verleend dan in het zuiden. Hij wil uit vrees voor de beruchte veiligheidsdienst Sise niet al te veel vertellen en vooral zijn naam niet noemen.

President Chissano ontkende dezer dagen vurig het noorden achter te stellen. Maar Amerikaanse militairen verklaarden tegenover de Zuid-Afrikaanse krant The Star dat zij wel degelijk achterdocht koesterden over de verdeling van de hulp. In de noordelijke stad Beira, bolwerk van Renamo, zei een Amerikaanse militair: ,,We waren zeer bezorgd dat de Mozambikaanse regering ons niet zou toestaan goederen hier naar toe te brengen.'' De Amerikanen bevoorraadden Beira vanuit het dichterbij gelegen Hoedspruit, in Zuid-Afrika, buiten het zicht van de Mozambikanen. The Star schrijft dat de rivier de Save tijdens de watersnood een ironische bijklank had: wie onder de Save woonde, in Frelimo-gebied, had een veel grotere kans om gered te worden dan mensen ten noorden van de rivier, op Renamo-terrein.

Renamo en Frelimo, de voormalige gezworen vijanden die in 1992 vrede sloten, leven sinds de parlementsverkiezingen van december vorig jaar weer in grote onmin. Frelimo won, volgens Renamo-leider Afonso Dhlakama dankzij fraude. Dhlakama verplaatste om deze reden recentelijk zijn hoofdkwartier van Maputo naar Beira en meent dat het land nu feitelijk in tweeën is gedeeld.

Behalve het verdwijnen van goederen beklagen hulporganisaties en luchtvaartmaatschappijen zich ook over het feit dat ze, ondanks de noodsituatie, geen fatsoenlijke toegang hebben tot het vliegveld. Voor elke landing op de luchthavens moeten rechten worden betaald. Mike van Wyk, leider van een Zuid-Afrikaans medisch team zegt dat de autoriteiten sinds het begin van de reddingsoperatie de landingsrechten hebben verhoogd met 30 procent. ,,Dit is een schande'', zegt hij. ,,De Mozambikaanse autoriteiten buiten de ramp uit om grof geld te maken.'' Intussen benen geïrriteerd leden van het grondpersoneel rond in de hoek waar de vliegtuigen en helikopters van de hulpverleners staan en dragen hen op zich verder terug te trekken. Zo passen er meer toestellen bij en vangen ze meer geld.

Ook de individuele reddingswerkers moet het ontgelden. Dit zijn gouden tijden voor de kleine ambtenaar. Een voorval in de internationale vertrekhal van de luchthaven: een Zuid-Afrikaanse hulpverlener wil het land verlaten, maar de douane wijst hem erop dat zijn visum drie dagen is verlopen. Men neemt de man mee naar een klein kantoortje, waar hij van een boze ambtenaar te horen krijgt dat hij voor vijftien miljoen meticais het land mag verlaten, omgerekend meer dan 1.000 dollar. ,,Ik ben hier gekomen om jullie land te helpen en dan krijg ik deze shit'', briest de Zuid-Afrikaan woedend en hij vliegt de ambtenaar bijna naar de strot. Na enige tijd verschijnt de Zuid-Afrikaanse zaakgelastigde. Na uitgebreide, zweterige onderhandelingen weet hij de prijs voor zijn landgenoot te drukken tot 200 dollar. ,,Het is triest'', zegt de diplomaat met een diepe zucht. ,,Juist in deze tijd tiert de corruptie welig. Deze ambtenaar dacht een fortuin te maken, maar 200 dollar is toch ook niet slecht voor hem.''