Vreemde snuiters

Op het Sardinische Gargano, vroeger eiland nu schiereiland, leefden ooit grote loopuilen, gewapende dwerghertjes en hele grote egels. Diergeneeskundige Sandra van der Geer over prehistorische rariteiten en eilandbewoners.

Een wolharig mammoetje van amper 1,60 m hobbelt voort over de wijde steppe, het kleine slurfje fier omhoog gericht, klaar voor het uitstoten van een schel getetter. Verdwergde reuzen als deze mini-mammoet zijn al jaren een geliefd onderzoeksobject onder paleontologen. Gigantisme (reuzengroei) kwam ook voor, maar er is minder van bekend. Reuzenegels ter grootte van een klein hert, cavias van 200 kilo en schildpadden met een omvang van een Volkswagen kever leefden er zeker. Sandra van der Geer: ``Afgezien van het feit dat deze dieren minder schattig zijn dan mini-olifantjes, is er ook minder materiaal van voorhanden.' Sandra van der Geer is diergeneeskundige en indologe en bezig met een proefschrift naar een van de merkwaardigste hertjes die er ooit in de wereld hebben bestaan: Hoplitomeryx, ofwel het gewapende hert uit de Gargano, een schiereiland aan de oostkust van Italië. ``De botten van een mini-mammoet zijn altijd nog groter dan die van een reuzenegel en zullen dus eerder gevonden worden. Daarnaast zijn mammoetbotten harder en verpulveren minder gauw. Van knaagdieren, die meestal als prooidier eindigen, blijft vaak weinig meer over dan een paar kiezen.

De combinatie diergeneeskunde, Indologie en paleontologie is ongewoon.Van der Geer: ``Tijdens mijn studie diergeneeskunde in Utrecht had ik grote behoefte aan iets anders, iets met taal en cultuur. Ik heb voor indologie gekozen omdat het niet te massaal was en ook in Utrecht werd aangeboden.' Van der Geer is inmiddels gepromoveerd in de indologie en voor 31 uur per week werkzaam als documentalist bij de vakgroep indologie aan de Universiteit van Leiden. In de resterende tijd houdt ze zich naast de opvoeding van twee kinderen bezig met haar hobby, het bestuderen van vreemde eilandsoorten in de prehistorie. Vanaf 1984 bracht zij vele zomermaanden door op Sardinië waar zij onder leiding van paleontoloog Paul Sondaar opgravingen deed. Sondaar heeft haar op een gegeven moment gevraagd een proefschrift te schrijven op basis van materiaal uit de Gargano dat hij met een aantal collega-paleontologen al in de jaren zeventig had opgegraven maar waar door tijdgebrek nog niemand aan toe was gekomen: de botten van het hertje dat om nog onopgehelderde redenen gewapend was met vijf hoorntjes en kleine, scherpe hoektanden had.

Dat onderzoek bracht haar op tal van andere vreemde snuiters, waaronder reusachtige snurkmuizen, formidabele loopuilen en onwaarschijnlijk grote egels. Fossielen van deze dieren werden in 1969 ontdekt in spleetopvullingen in de Gargano die dateren uit het Laat Mioceen en Vroeg Plioceen (ca. 8 miljoen jaar geleden).

De aanwezigheid van deze vreemde fauna in de Gargano is op zich niet bijzonder. Het is al langer bekend dat er op eilanden endemische vormen ontstaan die worden gekenmerkt door verdwerging (nanisme) of reuzengroei (gigantisme). In prehistorische tijden bestond een eilandfauna uitsluitend uit soorten die konden zwemmen, vliegen of `meeliften' op plantaardig materiaal zoals boomstammen. Daardoor kwamen er vooral herten, olifanten, nijlpaarden, vogels en knaagdieren voor. Het resultaat was een ongebalanceerde fauna die zich op geheel eigen wijze kon ontwikkelen. Doordat grote landroofdieren de eilanden door hun gebrekkige zwemtechnieken niet konden bereiken, bleek het een veilige haven voor allerhande prooidieren.

Zonder roofdieren in de buurt had een hert dus geen lange steltbenen meer nodig om hard weg te rennen. Daarnaast is het zo dat eilanden, met name karst-eilanden, veelal geaccidenteerd en ruw zijn. Hoe korter de benen, hoe kleiner de kans op struikelen. En hoe lichter, hoe minder energie er nodig is om zich voort te bewegen. Aldus ontwikkelde zich het gewapende dwerghertje. De vraag blijft natuurlijk waarom het hertje nog steeds gewapend was. Van der Geer: ``Er zijn twee opties. Het zou kunnen dat de hoorntjes dienden om grote roofvogels af te schrikken. Als je zo klein bent is zo'n giga-uil natuurlijk wel even schrikken. De hoorntjes staan in een krans omhoog gericht, dus afschrikking is mogelijk. Aan de andere kant zouden ze kunnen dienen voor onderlinge schijngevechten die de sociale rangorde moesten bepalen, net als bij de moderne herten en schapen. Die hoektanden komen dan ook van pas.'

Een klein formaat was ook beter gezien het beperkte voedselaanbod op een eiland. Van der Geer: ``Dat voedseltekort was gedeeltelijk te danken aan de hoefdieren zelf. Door het ontbreken van landroofdieren vermenigvuldigde het aantal herten zich snel waardoor overbegrazing tot erosie en uiteindelijk zelfs tot uitsterven van de soort kon leiden.'

Er was nòg een voordeel om kleiner te zijn: de dracht. Van der Geer: ``Kleinere zoogdieren hebben niet alleen een veel kortere dracht, maar ook een grotere worp en dat op jongere leeftijd. Zo is een olifant pas op 15-jarige leeftijd klaar voor een draagtijd van twee jaar met slechts een enkel jong als resultaat, terwijl een rund met een leeftijd van twee à drie jaar al geslachtsrijp is en een tweeling kan baren en een schaap na één jaar zelfs twee tot zes lammeren produceert. Dat betekent dat de generaties elkaar sneller kunnen opvolgen en dat er een grotere genenpool is. Een groot aantal geboortes levert een groter aantal dieren dat de volwassenheid kan bereiken, zodat er een grotere kans is op voortbestaan van de soort.'

Voor de verreuzing van kleine dieren gelden dezelfde voorwaarden. Door het ontbreken van roofdieren hoefde een kleine slaapmuis niet meer zo nodig de eerste de beste rotsspleet in te kunnen duiken om aan een agressor te ontsnappen. Groot zijn en dus zichtbaarder was nu niet meer zo erg. Aldus ontstond de grote slaapmuis, alias snurkmuis. Eén bepaalde agressor liet zich echter niet in de luren leggen door deze verreuzing, en verreusde eenvoudigweg mee. Deze ontwikkelde zich tot de Tyto gigantea die het in lengte alleen nog aflegt tegen de Ornimegalomyx oteroi uit Cuba. Die leefde in het Laat Pleistoceen en mat van kop tot staart meer dan een meter. Omdat roofdieren op eilanden ontbraken, konden deze uilen rustig op de grond scharrelen zonder dat bijvoorbeeld een marterachtige hen het leven zuur maakte. Het leven op de grond kost veel minder energie, en is dus voordeliger. Geleidelijk pasten hun benen zich aan en ontwikkelden zij zich tot loopuilen. Hetzelfde fenomeen is bekend van de dodo, de dikke walgvogel van Mauritius die nog slechts stompjes van vleugels had en zich waggelend maar gestaag voortbewoog.

Evenals als bij verdwerging kan een veranderd voedselaanbod een rol spelen bij verreuzing. Van der Geer: ``Er zijn twee typen eters onder de kleine zoogdieren: de specialisten en de generalisten. Specialisten, en dan met name zaadeters, hebben het niet makkelijk op een eiland, zeker als het een klein eiland betreft. De hoeveelheid planten, en daarmee de hoeveelheid zaden, is over het algemeen kleiner. Maar generalisten treffen een rijkelijk gedekte tafel aan. Zij hebben nauwelijks van concurrentie te duchten. Omdat het grootste deel van hun natuurlijke vijanden ontbreekt, is nu eindelijk de uit energetisch oogpunt gunstige vergroting niet meer nadelig.'

Toename in de grootte heeft onder andere het voordeel dat grotere afstanden kunnen worden afgelegd op zoek naar meer en ander voedsel. Generalisten kunnen ecologische nissen, die als gevolg van het geringe aantal diersoorten op eilanden nog onbezet waren, gaan bezetten en vergroten daarmee hun voedseltoevoer. Zo heeft iedere diersoort in principe de mogelijkheid meer nissen te gaan bezetten dan op het vaste land, waar alle nissen immers al bezet zijn door andere diersoorten. Wat ontstaat zijn nieuwe subsoorten, verschillende vormen van één enkele soort, ook wel adaptieve radiatie genoemd.

Deze radiatie is ook terug te vinden bij bijna alle Gargano-diersoorten. Zo zijn er niet alleen kleine muizen (Microtia sp.) maar ook middelgrote en zeer grote met een schedellengte van bijna 10 cm, ruim twee-en-eenhalf maal zo groot als een moderne rat. Daarnaast vindt men er slaapmuizen (Stertomys sp.) (genoemd naar hun gewoonte in winterslaap te gaan) van klein, middel en groot formaat. Egels (Deinogalerix sp.) variëren van normaal tot gigantisch, met schedels van 20 cm en een lichaamslengte van 60 cm. De Deinogalerix koenigswaldi kon een gewicht van 5,5 kilo halen. Hij zal niet veel kleiner zijn geweest dan het gewapende hertje van de Gargano.

Van der Geer: ``Je zou de variatie in grootte van de verschillende subsoorten kunnen opvatten als een evolutionaire tendens, maar het blijkt toch dat binnen dezelfde lagen in de spleetopvullingen diverse grootte-types naast elkaar worden gevonden. Dus dat wijst in het geval van de Gargano duidelijk op het naast elkaar bestaan van deze dieren.'

De Gargano is tegenwoordig een schiereiland maar in het Laat Plioceen verdween het eiland vrijwel onder de zeespiegel. In vrij korte tijd was het platte eiland grotendeels door water overspoeld geraakt en stierven de dieren door gebrek aan ruimte uit. Als het eiland door een zeespiegeldaling met het vaste land verbonden was geweest, zoals nu, was het resultaat voor het voortbestaan van de dwergen en reuzen identiek geweest. Verbinding met het vaste land betekende immers contact met roofdieren en concurrentie van talrijke andere diersoorten in de verschillende nissen.

Verreusde en verdwergde diersoorten hebben tot zeer recent bestaan. Dat ze nu bijna niet meer voorkomen (de nu beschermde reuzenschilpad op de Galapagos is er bijvoorbeeld nog), is uiteraard het gevolg van het feit dat het `roofdier mens' zich op ieder afgelegen plekje van de aardbol wist te manifesteren. Het is vastgesteld dat het uitsterven van vele dwergen en reuzen op de eilanden van de Middellandse Zee direct in verband staat met de komst van de mens aldaar, 8.000 jaar geleden.

Van recenter datum (ca. 800 jaar geleden) is de verdwijning van reuzenlemuren en olifantsvogels op Madagascar, die door mensen zijn doodgejaagd. Het uitsterven van de dodo op het naburige Mauritius staat op het conto van de Nederlanders. De reuzenrat van Flores (Hooijeromys nusatenggara) heeft nog tot deze eeuw geleefd. Helaas gold het diertje als delicatesse.

Correctie

In de introductie boven het artikel `Vreemde snuiters' (W&O, 11 maart) is door de redactie vermeld dat Gargano deel zou uitmaken van Sardinië. Dit is onjuist. Zoals Arlette Kouwenhoven, auteur van het artikel, verderop in het verhaal ook aangeeft, gaat het om een schiereiland aan de oostkust van Italië, ongeveer ter hoogte van Rome (maar dan aan de Adriatische Zee).