Thalys (2)

De Thalys van 9.54 uit Amsterdam had met 120 kilometer per uur Leiden achter zich gelaten. Aan het dashboard en de handles zat de machinist Peter Conijn; achter hem stonden Edsel Geenjaar van de Spoorwegen en S. Montag. Tot zover de korte inhoud van het voorafgaande.

Over Den Haag en Delft valt niets bijzonders te vertellen. Tussen Schiedam en Rotterdam West maken de rails een flauwe bocht naar links. Zit je als reiziger links aan het raam, dan kun je heel even de enige echte skyline van Nederland zien, het groepje gebouwen naast het Rotterdamse CS. Zit je voor in de trein dan rij je dit conglomeraat van hoogbouw tegemoet. Waar het lineaalrechte perspectief van de rails in het schemer van het station verdwijnt, verrijzen slank en loodrecht de torens. Dat is een prachtig gezicht. Meetkundige muziek waarin je zelf het bewegende punt bent. Vrijwel meteen na het CS gaat de trein de tunnel in. We reden onder de plaats waar het station Beurs heeft gestaan, de norse ijzeren constructie hoog boven de grond, die lijkt op station Coney Island van de New-Yorkse subway. We ratelden over het Hollands Diep – ook mooi – en zeurden voorzichtig Roosendaal voorbij. Daarmee ben ik, wat Nederland aangaat, uitgepraat.

Hoe anders is België. Dat zie je door de voorruit nog beter dan door de zijramen. Je ziet het buitenland aankomen: in de kleur van zijn stenen, het lettertype van zijn voorkeur, de vorm van zijn schoorstenen, de inrichting van land en stad. We wisselden van rechter naar linkerspoor, en reden verder, door de bakermat van het reëel bestaand, nog altijd levend surrealisme. In Brussel verdwijnen de rails weer in een tunnel, liever gezegd, een breed systeem van zuinig verlichte spelonken dat door Nederlandse machinisten het spookhuis wordt genoemd.

En toen begon het deel van de reis waar alles op die dag om was begonnen: Brussel-Parijs. Er kwam een Franse machinist aan boord, vergezeld van de heer Gérard Bastard van de Direction déléguée à la traction. Eerst gingen we over het aanlooptraject, al veel harder dan een trein in Nederland ooit heeft gereden, zodat we – naar mijn maatstaven gemeten – in een oogwenk op het speciale tracé waren. Er staan geen seinpalen meer langs het spoor, de ijzeren staven trekken een nog dieper perspectief, de machinist drukt op een knopje en verschuift een handle, in de cabine klinkt een zachte, hoge fluittoon en dan begint het! ,,Het is zeker alsof je vliegt'', vragen de mensen. Nee, juist niet. Je beseft achter de voorruit op z'n allerduidelijkst dat je met 300 kilometer over de grond gaat. De Thalys ligt zo stabiel op de rails dat je eerder aan een schuiven dan aan rijden denkt. Maar geen moment vergis je je: dit gebeurt me op aarde.

Onder deze omstandigheden is snelheid verwant aan een bedwelmend middel. Je wordt oplettender, tegelijkertijd ontstijgt je geest aan alle beslommeringen, je kunt er niet genoeg van krijgen, en ten slotte voel je behoefte aan een grotere dosis: kan het niet nog wat harder? Dat vroeg ik niet. De naald stond op 300 en dat was mooi genoeg. Maar het was alsof een van mijn gastheren mijn gedachten had gelezen. ,,Er zijn nu plannen om tussen Parijs en Lyon een trein te laten rijden met 400 kilometer per uur'', zei hij. ,,En let nu op. Over een paar ogenblikken is het alsof er een kleine oneffenheid in de rails zit.'' Ja, als je het wist, kon je het merken. ,,Het komt'', zei hij, ,,waarschijnlijk door een loopgraaf uit de Eerste Wereldoorlog.'' Dat was een onverwachte botsing die ik niet kan beschrijven. We reden verder langs de moeizaam voortsukkelende rij blik op de autoroute die daar parallel aan het tracé loopt.

In Parijs at ik een croque monsieur, liep een paar blokken om en toen gingen we weer terug. Zelfde verhaal van achter naar voren, dacht ik, maar ik had me vergist. Na Brussel kwam de verrassing. Aan een hoge snelheid raak je vlug gewend, maar langzaam rijden, dat moet verwant zijn aan cold turkey, de rigoreuze ontwenning waaraan verslaafden zich kunnen onderwerpen. Door de voorruit zagen de rails eruit als een soort karrenspoor, de trein schokte en schommelde, ik voelde kribbigheid in m'n ziel. Eindelijk, na een eeuw, sjokte de Thalys onze hoofdstad weer binnen. Waarom, dacht ik, vraagt de minister van Verkeer en Waterstaat niet eens of ze mee mag rijden, voorin?

Woensdag, 8 maart, gewoon weer met de Volkskrant 's ochtends in de Amsterdamse tram. De ontwenningskuur was geslaagd. Toen las ik – de opening: `De aanleg HSL van de hogesnelheidslijn naar Parijs ligt fors achter op schema. Het Nederlandse tracé dreigt maanden later dan 1 januari 2006 te worden opgeleverd.' Hoeveel maanden? Staat er niet bij. Nu, op 10 maart 2000, voorspel ik dat het er 37 zullen zijn.

Nieuws over Alva. Een aantal lezers zal zich herinneren dat het begon met een paar dichtregels waarvan ik veronderstelde dat ze een signalement van Alva gaven. Ze komen uit het gedicht Des Sängers Fluch van Ludwig Uhland. Van dit gedicht bestaan twee Nederlandse vertalingen. Dit alles en nog meer weet ik nu dankzij de brieven die u mij hebt geschreven. Volgende week het volledige verslag.