Overmatige prikkeling

Sommige epileptici krijgen een insult krijgen door flikkerend zonlicht of videospelletjes. Scherpe contrasten blijken hierbij als trigger op te treden.

Dé rage onder kinderen op de basisschool is momenteel de Japanse tekenfilmserie Pokémon. Dagelijks kunnen kinderen de lotgevallen volgen van Pikachu en zijn vrienden. Pikachu ziet eruit als een kruising van een hamster en een draakje, heeft een vriendelijke uitstraling maar kan ook bliksemschichten opwekken om er tegenstanders mee te treffen. Op 16 december 1997 trof hij echter ook zijn kijkende vriendjes. Die avond zagen honderdduizenden Japanse kinderen de Pokémons op TV Tokyo. Kort voor het einde van die aflevering toonde Pikachu nog eens zijn kunnen en vrijwel meteen was het spitsuur op de eerstehulpafdelingen van de ziekenhuizen, waar tegen de 800 kinderen werden binnengebracht. Velen hadden van de veelgekleurde flitsen op de beeldbuis een epilepsieaanval gekregen, sommigen leken in een soort trance te verkeren en klaagden over ademnood, misselijkheid en problemen met het zien.

Dat lichtflitsen bij mensen die daar gevoelig voor zijn een epilepsieaanval kunnen oproepen, is al langer bekend. Ongeveer vijf procent van de epileptici is gevoelig voor visuele stimuli, zoals lichtflitsen en/of bepaalde contrastrijke patronen. Ongeveer de helft van deze mensen is ook gevoelig voor de flikkeringen van beeldschermen, die vooral van dichtbij goed te zien zijn. Zowel de frequentie van de flikkering als de grootte van het contrast spelen een rol bij visueel gevoelige epilepsie, maar tot nog toe was onduidelijk wat deze grootheden precies teweegbrengen. De Italiaanse onderzoekers, verbonden aan onderzoeksinstituten in Pisa, hebben daar klaarheid in gebracht (Nature Neuroscience, maart 2000).

Bij alle vormen van epilepsie neemt de activiteit van groepen cellen in de hersenen voor korte tijd sterk toe. Die overmatige activiteit breidt zich soms nog uit naar andere delen van de hersenen. Hoe groot de activiteit in delen van de hersenen is, is te meten met behulp van een EEG. Daarvoor worden elektroden op de hoofdhuid geplakt die potentiaalveranderingen in de orde van grootte van microvolts (miljoenste volts) kunnen registreren. De onderzoekers hebben deze methode gebruikt bij 11 epilepsiepatiënten en 12 gezonde proefpersonen terwijl ze aan verschillende visuele prikkels werden blootgesteld. Met elektroden op het achterhoofd werd onder andere gemeten hoe de activiteit in de achterste (occipitale) hersenlob verandert, omdat daar de verwerking van visuele informatie plaatsvindt. De deelnemers moesten naar een beeldscherm kijken - met één oog om mogelijke aanvallen bij de patiënten te voorkomen - waarop een fijn traliewerk was afgebeeld van zwart-witte of rood-groene lijnen. De onderzoekers lieten de lijnen met verschillende frequenties van kleur verwisselen en varieerden ook het onderlinge contrast.

Bij metingen in zwart-wit bij matig contrast ontstonden bij gezonde proefpersonen duidelijke pieken in de hersenactiviteit bij frequenties tussen drie en acht Hz (flitsen per seconde) en tussen 16 en 20 Hz. Daartussenin was de activiteit betrekkelijk laag. Bij de patiënten vonden de onderzoekers dezelfde pieken maar het dal ertussen was minder diep. De verschillen tussen beide groepen waren echter niet significant. Vergroting van het contrast tussen de lijnen veroorzaakte wel duidelijke verschillen. Bij frequenties tussen vier en tien Hertz namen bij de gezonde proefpersonen de gemeten potentialen toe bij een groter wordend contrast. Zodra het contrast groter werd dan 20 procent, nam de activiteit niet verder meer toe. Bij de patiënten bleef de activiteit toenemen tot vrij extreme waarden. Klaarblijkelijk beschikken gezonde personen over een soort rem die ervoor zorgt dat de reactie in de hersenen een bepaald niveau niet overstijgt, hoe groot ook het aangeboden contrast is. De abnormale respons werd overigens alleen gevonden als de tralielijnen tussen de vier en tien keer per seconde van kleur wisselden. Bij hogere frequenties reageerden patiënten en controles identiek op een groter contrast en bij de metingen met rood-groene traliewerken traden evenmin significante verschillen op.

Een groot verschil in helderheid bij betrekkelijk lage flitsfrequenties kan dus visueel gevoelige epilepsie opwekken. Juist dit soort stimuli is vaak te zien in televisieprogramma's en videospelletjes. De onderzoekers hopen dan ook dat de makers daarvan met deze resultaten rekening zullen houden. Volgens dr. Dorothée Kasteleijn-Nolst Trenité van de Stichting Epilepsie Instellingen Nederland, waar op dit gebied toonaangevend onderzoek wordt gedaan, is dat hard nodig. Het aantal gevallen van visueel gevoelige epilepsie neemt duidelijk toe, vooral onder jongeren en dat komt vermoedelijk mede door die videospelletjes. Kasteleijn: ``Er is veel discussie over de vraag of epilepsie ontstaat door overmatige prikkeling of door het ontbreken van een rem op overmatige activiteit. Hier is duidelijk sprake van het laatste en het is eigenlijk de eerste keer dat dit zo eenduidig wordt vastgesteld. Dat is van groot belang omdat deze vorm van epilepsie in veel opzichten model kan staan voor andere.''