Otavalo-indianen

Het artikel over de indianen uit Otavalo (dus niet: Otovalo) bevat nogal wat onjuistheden en onnauwkeurigheden (14 februari).

Met betrekking tot de kleding van vrouwen wordt bijvoorbeeld gesteld dat deze `al eeuwenlang' dezelfde is gebleven. Dit is niet juist. De kleding van de vrouwen is in de loop van de tijd aan allerlei veranderingen onderhevig geweest en zij is dat nog steeds. De `dikke string gouden kettingen' zijn in werkelijkheid glazen kerstboomversieringen uit Tsjechoslowakije die in de jaren '60-'70 in Otavalo hun intrede deden. Ook de kleding van de mannen is erg veranderd. Zo was de poncho honderd jaar geleden niet blauw maar donkerbruin. De meeste Indianen liepen tot in de jaren zestig op blote voeten totdat de meeste overgingen op de geïntroduceerde witte sandaaltjes. Heden ten dage zal men in Otavalo nog nauwelijks mannen in `traditionele' kleding aantreffen, zeker geen mannen jonger dan 40 jaar.

Otavalo is niet gelegen op een dorre hoogvlakte, maar juist in een zeer groene vallei die vanwege haar grote vruchtbaarheid zo geliefd was bij de oorspronkelijke inwoners van het gebied en vervolgens bij de Inca's en de Spanjaarden. De bijnaam van de provincie Imbabura waar Otavalo ligt, is `de provincie van de meren' of `de blauwe provincie'.

Het commerciële succes van de Otavalo-indianen is relatief omdat het slechts enkele families zijn die zeer veel geld verdiend hebben met de export van kunst en nijverheid. Veel producten worden overigens niet in Otavalo zelf gemaakt maar elders in Ecuador. Het te werk stellen van de Otavalo-indianen in `donkere werkplaatsen' door Spanjaarden is een mythe die graag gecultiveerd wordt, niet in het minst door de indianen zelf. In 1780, op het hoogtepunt van dit zogenoemde obraje-systeem, werkten in Otavalo in totaal ongeveer vijfhonderd Indianen in deze werkplaatsen, nog geen twee procent van de toenmalige Indiaanse bevolking van het gebied. Bovendien bevond zich in Otavalo en omgeving in die tijd nog geen negen procent van alle werkplaatsen in de Ecuador-regio. In en rond Quito was dat toen 42 procent. Het beeld van de meedogenloze uitbuiting op grote schaal van de indianen is dan ook niet juist.

Het vakmanschap van de indianen werd dan ook niet `verbroken' door de aanwezigheid van de Spanjaarden, maar kreeg door de Spaanse introductie van het rechtopstaande weefgetouw, schapenwol en nieuwe weeftechnieken juist een nieuwe impuls.

Het was niet een indiaanse wever die in 1917 het idee kreeg om de `Schotse ruit' te gaan weven. Een schoonzoon van de eigenaar van de haciënda Cusín was op dit idee gekomen. Hij stelde de indiaanse wever José Cajas voor om deze Schotse ruit te gaan weven. José Cajas ging er mee aan de slag en al snel volgden andere wevers hem. In het artikel wordt een wever opgevoerd, Luis Males uit Peguche, die `naar de bergen met de besneeuwde bergtop van de vulkaan Cayambe' tuurt. Hij kan dan lang turen, omdat de Cayambe met geen mogelijkheid te zien is vanuit Peguche.

Tot slot wordt de meesterwever Miguel Andrago uit Agato bezocht. Het is onduidelijk uit welk kratermeer de in het artikel beschreven mist op komt zetten. Waarschijnlijk wordt het meer San Pablo bedoeld. Dit is geen kratermeer, het is vanuit Miguel Andrango's huis niet te zien, en de mist zal zijn huis dan wel ook nooit bereiken.

Ook de panfluit spelende meisjes niet, een tafereeltje dat ik gedurende dertien maanden veldwerk in Otavalo overigens nooit heb mogen aanschouwen.