Onderzoek onderzocht

Jeroen Bartelse - Concentrating the minds - Utrecht, Lemma/CHEPS, 222p. Universiteit Twente 19 februari 1999. Promotor: Prof.Dr. F. A. van Vught

Ik heb me niet vergist in de datum. Dit proefschrift is inmiddels al een jaar oud, maar het is mij toen ontgaan. Vanwege het toch wat bijzondere onderwerp pak ik het nu toch op. Het is het eerste proefschrift over proefschriftfabrieken, de onderzoekscholen die sinds een jaar of acht het beeld van de wetenschapsbeoefening in Nederland bepalen. Het is een mooie opvolger van het proefschrift van Hans Sonneveld (Promotoren, promovendi en de academische selectie, Universiteit van Amsterdam 1996) die het promotiesysteem van de Amsterdamse sociologen onderzocht heeft. Het merendeel van de ongeveer 2500 proefschriften die ieder jaar verdedigd worden, is afkomstig uit de inmiddels al meer dan honderd onderzoekscholen. Jeroen Bartelse schreef het zijne als medewerker van het Center for Higher Education Policy Studies (CHEPS) van de Universiteit Twente, het centrum voor het hoger onderwijs-onderzoek in Nederland. Dat lijkt een wat navelstaarderige bezigheid voor een universiteit, maar een beetje kritisch zelfonderzoek kan zeker geen kwaad in een sector waar bijna 1 procent van ons nationaal inkomen wordt uitgegeven en meer dan 1 procent van de bevolking als student staat ingeschreven.

De doctorstitel kent inmiddels al een geschiedenis van acht eeuwen en het huidige ritueel van de openbare verdediging van een proefschrift is niet veel jonger. In de Middeleeuwen en nog lang daarna was het doctoraat het bewijs van geleerdheid in de meest letterlijke vorm. De jonge doctor hoefde zich nog niet als originele onderzoeker te bewijzen, maar als kenner van wat algemeen als kennis in zijn vakgebied aanvaard was. Pas in de negentiende eeuw, toen de universiteiten de organisatorische vorm kregen die ze in veel opzichten nu nog steeds hebben, verschoof het accent van weten naar onderzoeken, van overgedragen kennis naar te ontdekken empirie.

Alexander von Humboldt maakte aan de universiteit van Berlijn voor het eerst van de ouderwetse geleerde een moderne onderzoeker, die onder begeleiding van een 'Doktorvater' in zijn proefschrift verslag doet van een door hem (vrouwen kwamen er tot het begin van de twintigste eeuw niet aan te pas) uitgevoerd onderzoek. Von Humboldt introduceerde in Duitsland een universitair systeem dat buitengewoon succesvol was en over de hele wereld is nagevolgd. De Amerikanen, die het Engelse college-systeem hadden overgenomen, ontwierpen een eigen variant op Von Humboldt's doctorandus-model. In Duitsland – en ook in Nederland – was en bleef het schrijven van een proefschrift een eenzame en vaak langdurige onderneming, in de Verenigde Staten bood de `graduate school' met zijn verplichte klassikale cursussen de jonge onderzoeker ook een sociaal kader.

Toen ik begin jaren zeventig naar Duitsland trok om daar te promoveren, was er daar net zo min als hier destijds ook maar iets van een structuur of een programma. Je maakte individueel een afspraak met een hoogleraar over wat je wilde doen en dan ging je je gang , dat wil zeggen, je ging naar de bibliotheek om alles over het onderwerp te lezen. Na een half jaar kwam je dan terug om een eerste opzet of een literatuurstudie door te praten. Van enige begeleiding was geen sprake en er werd ook niets speciaal voor de promovendi georganiseerd. We deden dat hoogstens onderling zelf een beetje, want eigenlijk wist je ook niet beter dan dat je het allemaal op eigen kracht moest doen. In Duitsland is dat op veel plaatsen nog steeds zo, maar in Nederland heeft toch het Amerikaanse model vrij algemeen ingang gevonden. De belangrijkste stap is al in de jaren tachtig gezet, toen de figuur van de assistent-in-opleiding , de aio, werd geintroduceerd. Een promotie werd niet meer een levenslange opgave voor weinigen, maar de afsluiting van een (slecht) betaalde tijdelijke baan voor een behoorlijk grote groep net-afgestudeerden. Aio's zijn in dienst van de universiteit, krijgen een eigen opleidings-en onderzoeksplan en moeten ook zelf wat onderwijs geven.

Hoewel zeker de eerste jaren de universiteiten nog helemaal niet ingesteld waren op het geven van goed aio-onderwijs en ook de begeleiding veel te wensen overliet, heeft het aio-systeem in de bijna 15 jaar dat het systeem nu bestaat geleid tot een enorme verhoging van de wetenschappelijke productie aan de universiteiten. Het aantal promoties vloog omhoog en de gemiddelde leeftijd van de promovendus daalde fors, net zoals de gemiddelde aantal jaren dat aan een proefschrift gewerkt werd. Wie mocht denken dat die proefschriften dan ook wel minder van kwaliteit zullen zijn dan de proefschriften oude stijl, heeft het mis. Saaier en zakelijker zijn ze misschien wel, maar methodisch en theoretisch bijna altijd van hoger niveau. Bovendien is de kwaliteitstoets objectiever geworden, omdat proefschriften steeds vaker bestaan uit een reeks door internationaal hoog gewaardeerde tijdschriften geaccepteerde artikelen. Na 1990 kreeg de organisatie van het promotiesysteem een belangrijke nieuwe impuls, die tot op de dag van vandaag doorwerkt.

Onderzoekscholen zouden de nieuwe thuisbasis voor de aio's moeten worden en tegelijkertijd ook de verzamelplaatsen van zoveel mogelijk van het goede en zeer goede (`excellent' in het opgeklopte academische jargon) universitaire onderzoek. De nieuwe scholen – een niet zo gelukkige vertaling van het Amerikaanse begrip `school' – zouden omvangrijk, interuniversitair, onafhankelijk en programmatisch samenhangend moeten zijn. Heel nieuw was de introductie van een competitief element door de erkenning als onderzoekschool afhankelijk te maken van het oordeel van een buiten de universiteiten geplaatste commissie van de KNAW. Veel initiatieven hebben het niet tot een erkenning gebracht, maar inmiddels zijn er toch al meer dan 100 onderzoekscholen. Een aantal daarvan is er inmiddels alweer opnieuw voor vijf jaar erkend, een aantal heeft zijn erkenning verloren en enkele hebben inmiddels de status van `topinstituut' verworven.

Jeroen Bartelse beschrijft in zijn proefschrift de ontwikkeling van de institutionalisering van het promotiesysteem in Nederland en in een aantal andere Europese landen, met name Duitsland. In de vorm van het `Graduiertenkolleg' heeft zich daar, maar op veel bescheidener schaal, een soortgelijke ontwikkeling voorgedaan. De vraag die Bartelse zich stelt is onder welke voorwaarden en in welke mate beleidsinnovaties als de onderzoekschool aanvaard worden en ingang vinden in een oud en gevestigd systeem als de universitaire regeling van de promoties. Op grond van onder meer de beroemde innovatietheorie van Rogers komt hij tot een model dat de aanvaarding van innovaties voorspelt in termen van `compatibility' en `profitability'. Simpel gezegd, als de innovatie past bij wat er al is of goed aansluit bij de al geldende normen en waarden, zal hij gemakkelijker aanvaard worden. Als er dan ook nog voordeel te halen is van de invoering van de innovatie – meer onderzoeksgeld, meer collegiaal prestige, meer onafhankelijkheid – dan zal de invoering van de innovatie snel en soepel kunnen verlopen.

Het model van het aio-systeem zowel als van de onderzoekschool bleek goed te passen bij het universitaire scheikundig onderzoek in Nederland: sterk ontwikkeld, internationaal georiënteerd, programmatisch opgebouwd, goed onderling verdeeld. Het model van de onderzoekschool paste hier als een handschoen, al is het misschien wel net zo eerlijk te zeggen dat het hele idee van de onderzoekschool bij uitstek geïnspireerd lijkt te zijn door de praktijk van de empirische bèta-wetenschappen.

In de letteren- en de rechtenfaculteiten ligt dat heel anders. Een proefschrift is daar meestal de vrucht van jarenlange eenzame arbeid thuis aan een monografie. Het model past niet goed bij de bestaande praktijk, maar de voordelen van de vorming van een onderzoekschool zijn toch zodanig, dat op veel plaatsen toch geprobeerd wordt een erkenning te verwerven. Bij rechten lukt dat in de meeste gevallen niet, maar waar het wel is gelukt blijken de voordelen zo evident, dat ook bij de anderen het streven naar erkenning niet verdwijnt.

Bartelse heeft zijn model ook toegepast op de situatie van de Duitse `Graduiertenkollegs' (de Duitse citaten in de betreffende passages worden helaas wel erg ontsierd door spel-en schrijffouten). Nu is de situatie in Duitsland van het begin af aan al heel anders geweest dan in Nederland en de kansen op een succesvolle introductie van iets als een onderzoekschool zijn daar duidelijk ook veel kleiner. Er is minder voordeel te halen geweest voor de universiteiten en de druk van de kant van het ministerie (eigenlijk ministeries, want de universiteiten zijn in Duitsland als alle onderwijs Ländersache) is ook veel minder groot geweest. Ik zou het toch interessanter gevonden hebben wanneer ook de analyse van gebrek aan succes en zelfs totale mislukking tot Nederland beperkt zou zijn gebleven. Die analyse had dan wel wat dieper mogen gaan dan nu gebeurd is. Dan zou waarschijnlijk ook het element van de prestigecompetitie die tussen universiteiten en ook tussen faculteiten en vakgroepen heeft gespeeld wat meer aandacht hebben gekregen. Bovendien had dan ook meer licht geworpen kunnen worden op het proces van concentratie van onderzoekscapaciteit en -middelen in de onderzoekscholen. Ik zou ook benieuwd zijn geweest naar een eerste analyse van de risico's die scholen lopen als ze zich inhoudelijk en programmatisch willen vernieuwen. De voorwaardelijke financiering is als voorloper van de onderzoekschool op dat punt vastgelopen: vernieuwing werd afgestraft, omdat dat investeren in plaats van publiceren betekende.

Wat dit proefschrift bijna terloops wel laat zien is hoe snel inmiddels de veranderingen gaan in een wereld die zo lang geleefd heeft vanuit tradities. Waar eenmaal verandering is toegelaten, zal alles ook steeds opnieuw weer anders worden. Kortom, wat komt er na de onderzoekschool?