MODERN KLASSIEK

Grieks en Latijn profiteren van de oplevende belangstelling voor theater, cultuur en toerisme. Een rondgang langs de universiteiten.

Het is maandagavond. Buiten stormt en regent het. Binnen, in een zaaltje van een Amsterdams grachtenpand, zit de Amsterdamse Hellenisten Club. De voorzitster zet haar reiswekkertje voor zich. Het twee uur durende `eredivisie-werkcollege' kan beginnen.

Al meer dan twintig jaar komen Amsterdamse Graeci, van bursaal tot emeritus hoogleraar, vijf keer per jaar bijeen om elkaars wetenschappelijke artikelen in wording kritisch te bespreken. Vanavond is een gastspreekster aanwezig: Helma Dik (33), onlangs benoemd tot assistent professor aan de Universiteit van Chicago. Haar artikel Emphasis and word order in the tragic trimeter ontlokt een bevlogen discussie.

Geen moment heerst er de sfeer van een bijeenkomst van de Laatsten der Mohikanen. Er mag de laatste tijd sprake zijn van een groot tekort aan leraren klassieke talen, aan de vijf universiteiten, waar het vak wordt gedoceerd – Universiteit van Amsterdam (UvA), Vrije Universiteit (VU), Rijksuniversiteit Groningen (RUG), Universiteit Leiden (UL) en Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN) – gaat het juist weer beter. De hoogtijdagen van pakweg twintig jaar geleden, toen zich landelijk 150 eerstejaars aanmeldden, zijn niet meer, maar de crisis van eind jaren tachtig, begin jaren negentig lijkt voorbij. ``Wij zijn in Leiden binnen Letteren een van de best lopende studierichtingen en hebben zelfs de status van facultair zwaartepunt'', zegt hoogleraar Grieks Ineke Sluiter. ``In de periode van de grote bezuinigingen onder Lubbers'', zegt Sluiter, ``ging alles om het directe en economische nut. De huidige jaren van rijkdom en luxe zorgen voor een sterk oplevende belangstelling voor theater, cultuur en toerisme en daar profiteren wij van.''

Het nieuwe elan gaat samen met een nieuwe generatie professoren: Ineke Sluiter (40) in Leiden, Annette Harder (47) en Ruurd Nauta (41) in Groningen, Marc van der Poel (42) in Nijmegen, Caroline Kroon (38) aan de VU en Irene de Jong (42) aan de UvA. De nieuwe lichting kijkt ontspannener aan tegen de klassieke oudheid dan sommigen van hun voorgangers, die de oudheid vaak niet alleen als de ultieme uiting zagen van menselijke beschaving, maar ook als bakermat van alle goeds. De hoogleraar Grieks Verdenius had bijvoorbeeld geen moeite om te verkondigen dat klassieke talen studeren het voordeel bood dat je driekwart van de moderne wereldliteratuur ongelezen kon laten - het was door de Grieken (en Romeinen) allemaal al veel beter gedaan. De moderne classici populariseren het vak door vertalingen voor een breed publiek te publiceren. Zoiets was lang ondenkbaar. In de jaren zestig nog schreven de toenmalige hoogleraren Grieks een pamflet met de vraag `Is Grieks vertaalbaar?'. Antwoord: Nee. Want bij een vertaling gaan de talloze fijne nuances van de verheven taal verloren.

Tot in het begin van de jaren tachtig was het heel normaal om voor het doctoraal examen Grieks pakweg achttien tragedies van Aischylus, Sofokles en Euripides, enkele dialogen van Plato en een aantal boeken van Thucydides te moeten bestuderen - de hele Homerus was al bij het kandidaatsexamen aan bod gekomen. Het examen kostte de student anderhalf jaar voorbereiding, waarbij hij stapels commentaren doorwerkte en in een boek als The Greek Particles van J.D. Denniston uit 1934 op zoek ging naar de juiste interpretatie van minuscule betekenisloze woordjes als de, oun en ara. (Ara, herinneren zich de oudere gymnasiasten, moest bij Homerus worden vertaald met `zoals de welwillende lezer zal begrijpen'.) Het tentamen bestond uit de vertaling van enkele moeilijke passages en een paar grammaticale vragen. Na twee uur was het voorbij en stond de student weer buiten.

Sinds de invoering van de Twee Fasenstructuur begin jaren tachtig is de studielast gehalveerd, lezen de studenten nog maar acht van de 48 boeken Homerus en heet de studie niet meer Klassieke Taal- en Letterkunde, maar Griekse en Latijnse Taal en Cultuur (GLTC). Sluiter: ``Bij Herodotus hoort nu ook een flink blok secundaire literatuur. Op tentamen moeten de studenten niet alleen kunnen vertalen, maar ook op niveau kunnen deelnemen aan het wetenschappelijk debat rond Herodotus, dat vooral gaat over zijn historische betrouwbaarheid.''

Op de middelbare scholen gaat het er niet anders aan toe. De fixatie op taal en grammatica is verdwenen en is er veel aandacht gekomen voor geschiedenis, cultuur, sociale ontwikkelingen, Nachleben en moderne parallellen. Deze ruimere benadering levert studenten op die met nieuwe, interessante vragen komen, is Sluiters ervaring. ``Onlangs behandelde ik de kritiek van Plato op Homerus in De Staat. Hij acht het lezen van Homerus gevaarlijk, omdat de dichter zó goed is dat de lezer de oorlogszuchtige helden uit Ilias en Odyssee zal willen imiteren, wat tot grote schade kan leiden. Een student zei toen: `Plato pleit dus voor een soort anti-geweldchip.' Dat vind ik een sterke parallel met het heden.''

De bredere kijk gaat wel gepaard met een achteruitgang in kennis van taal en grammatica. Zo staat op de standaardwoordenlijst Grieks van de UvA achter het werkwoord psego als vertaling `gispen, laken'. Taalkundige Albert Rijksbaron: ``Hier is het Nederlands het probleem. Elk jaar vragen de nieuwe studenten me weer wat `gispen, laken' in hemelsnaam betekent. Een laken van gips? Zelfs collega's uit andere steden vragen me: Hoe ging het dit jaar met gispen, laken?''

Maar niemand die zich echt zorgen maakt. Sluiter: ``De `toppers' van nu doen nauwelijks onder voor die van vroeger.'' Harder is somberder: ``Eigenlijk is vier jaar te kort om de gemiddelde student naar een goed niveau te tillen. Een gymnasiast van vroeger kon beter vertalen dan de huidige doctorandus.'' Aan de andere kant zegt ze: ``Het verhaal van verval is niet helemaal terecht, want we stellen nu heel andere eisen.''

Net als vroeger gaan nog steeds de meeste afgestudeerden het onderwijs in. Maar waar vroeger bijna iedereen automatisch zijn lesbevoegdheid haalde en minstens enige jaren les gaf, denkt de huidige lichting studenten daar wel twee keer over na. ``Iets meer dan de helft kiest voor het leraarschap'', zegt Sluiter. Dat is te weinig om het aantal plaatsen in het onderwijs in te vullen. De problemen in het onderwijs gaan de universitaire classici aan het hart, want velen hebben vroeger jaren met plezier op school les gegeven. De Vereniging van Classici in Nederland kent zelfs geen aparte afdelingen voor leraren en wetenschappers. Nu nog is Nederland met België het enige land waar scholieren beide talen onderwezen krijgen en studenten GLTC dus met een voorsprong op hun buitenlandse collega's beginnen.

Een Italiaanse classicus merkte ooit op dat zijn land wel veel classici kent, maar dat die wetenschappelijk nauwelijks meetellen, terwijl de Nederlandse classici ondanks hun relatief kleine aantal al jaren internationaal aan de weg timmeren. Een internationale visitatiecommissie, die twee jaar geleden het onderzoek bekeek, kwam tot dezelfde conclusie. De klassieke talen in Nederland zijn altijd met de tijd meegegaan. In de gouden dagen van de klassieke filologie rond de eeuwwisseling bestond wetenschap vooral uit tekstkritiek: het uitgeven, becommentariëren en emenderen van teksten. Het meeste tekstuitgavewerk is inmiddels gedaan. ``Toch blijft hardcore filologie nog steeds nodig'', zegt Albert Rijksbaron. Samen met papyroloog Klaas Worp heeft hij twee jaar geleden een nieuw gevonden tekst van Isokrates uitgegeven. Alleen hoefde hij niet meer het hele corpus van Griekse literatuur uit zijn hoofd te kennen om parallelplaatsen te vinden van woorden en woordgroepen. ``Ik heb dankbaar gebruik gemaakt van Pandora.'' Deze database is opgenomen in het Perseus Project, dat bijna het hele corpus klassieke literatuur bevat (zie www.perseus.tufts.edu).

Een moderne ontwikkeling is de aandacht voor verteltheorie bij de klassieke talen. Irene de Jong schreef in 1987 het baanbrekende proefschrift Narrators and Focalizers. Een enkeling gruwde van de modernistische termen die zij op Homerus losliet, maar ook de grootste purist moest toegeven dat het voor de interpretatie van Ilias en Odyssee zin heeft om zich vragen te stellen als `door wiens ogen kijkt de lezer mee?' en `wat zijn de effecten die de auteur teweeg wil brengen?'. Of neem de tragedies van Sofokles, ter discussie op de Amsterdamse Hellenisten Club. Het onderwerp (woordvolgorde) lijkt zuiver taalkundig, maar sommige woorden kunnen door hun plaats in een zin worden opgevat als regieaanwijzingen voor de toneelspelers, zo blijkt. ``Ons wetenschappelijk onderzoek," zeggen de Nederlandse classici trots, "onderscheidt zich van bijvoorbeeld het Engelse door de afwezigheid van een scherpe scheiding tussen taal- en letterkunde.''

De vraag is of de classici hun hoge niveau kunnen handhaven. Op alle universiteiten is de wetenschappelijke staf door bezuinigingen geminimaliseerd. De docenten in vaste dienst zijn bijna al hun tijd kwijt aan bestuurstaken, onderwijs en begeleiding van studenten, die een steeds schoolsere aanpak wensen. De classici maken zich dus toch een beetje zorgen. Misschien zal hun vak zelfs ooit verdwijnen van de middelbare school, maar ach, aan de universiteiten zal het altijd wel blijven bestaan. ``Aan de top van de universiteit zijn nog genoeg vriendjes'', zegt een Nijmeegse hoogleraar. ``Nee'', corrigeert zijn collega hem, ``mensen met inzicht.''