Kok, en verder?

SINDS DE `MONSTERZEGE' van Joop den Uyl bij de Tweede-Kamerverkiezingen in 1977, is de premier-bonus in de Nederlandse politiek een gegeven. De minister-president is niet minder dan het goud van een politieke partij. Niet zijn politieke beweging, maar zijn persoon staat centraal tijdens een verkiezingscampagne. De PvdA met Den Uyl won er destijds tien zetels door, Van Agt maakte een eind aan de jarenlange neergang van het CDA, premier Lubbers als lijsttrekker van het CDA leverde de partij zelfs weer een winst op van negen zetels, en premier Kok ten slotte incasseerde bij de verkiezingen van 1998 voor de PvdA een winst van acht zetels. Maar steevast komt het moment dat de luxe van het beschikken over de premier-partijleider omslaat in ongemak. De houdbaarheid van de leider is immers beperkt. Vervolgens speelt de opvolging, beter gezegd de opvolgingskwestie. Want soepel en zonder schade verloopt dit proces bijna nooit. Er hoeft in dit verband maar gedacht te worden aan de dramatische gebeurtenissen binnen het CDA toen Lubbers zijn leiderschap had overgedragen.

Rimpelloze leiderswisselingen zijn een zeldzaamheid. Het begint al met de onduidelijkheid over het tijdstip van `abdicatie'. Het premierschap is in Nederland niet gebonden aan termijnen; er zijn slechts historische wetmatigheden. Die zeggen dat na bepaalde tijd de sleet er in komt. De derde termijn van Lubbers was nog maar een schim van de no-nonsenseperiode waarmee hij begin jaren tachtig zijn karwei begon.

MET DIT BEELD voor ogen is het niet verwonderlijk dat nu ook binnen de PvdA de vraag hardop wordt gesteld hoe lang Kok nog mee kan. Zelf heeft de persoon in kwestie de discussie hierover de kop in trachten te drukken door vlak voor Kerstmis in een vraaggesprek met het weekblad Elsevier te verklaren dat hij nog in is voor een derde termijn. Dat betekent haast automatisch dat de PvdA de volgende verkiezingen kan ingaan met lijsttrekker Kok. Toch heeft Kok met het uitspreken van zijn ambitie een voorzichtige leiderschapsdiscussie niet kunnen voorkomen. Er spelen nu twee vragen. Is het wel wenselijk dat Kok voor nog een termijn opgaat, en direct daarop volgend: wie moet zijn opvolger worden?

Zeker in het huidige tijdsgewricht staat een premier die een succesvolle regeringscombinatie leidt garant voor electorale winst. Geen enkele serieuze partij kan het zich permitteren deze wetenschap te veronachtzamen. Kok nu afdanken zou spelen met vuur zijn. Temeer als er nog geen overtuigend alternatief in de vorm van een aansprekende figuur gepresenteerd kan worden. Maar tevens is dat het onzuivere element in een rationele discussie. Het moment om er openlijk over te praten, komt altijd ongelegen.

En dus wordt er informeel volop over gepraat. Is het niet in de partij, dan is het wel in de media. Dat heeft weer zijn eigen dynamiek. Elke personele benoeming, elke manoeuvre van een potentiële kroonprins wordt geplaatst in het kader van de opvolging. PvdA-voorzitter Van Hees dacht vorige maand de zaak te kunnen stroomlijnen toen zij in een vraaggesprek met de Volkskrant het idee van een `kopgroep' opperde. Als verscheidene mensen in beeld zijn voor het leiderschap, zou dat volgens haar de druk afhalen van Ad Melkert, die sinds zijn benoeming als PvdA-fractievoorzitter de officieuze positie van eerste opvolger heeft aangemeten gekregen.

DE PARTIJVOORZITTER gaf hiermee blijk van een naïeve opvatting van de Haagse politiek. Een kopgroep met drie of meer kandidaatopvolgers zal juist het tegendeel bewerkstelligen van wat zij poogt te bereiken. Want of de leden van de kopgroep het nu zelf willen of niet: vanaf het moment dat zij in de kopgroep zitten zal al hun handelen in verband worden gebracht met de opvolging en zullen zij ook nog slechts daarop worden beoordeeld.

Een blauwdruk voor een goede opvolging bestaat niet. De veiligste maar tegelijk ook minst zuivere methode is als de bestaande leider tussentijds terugtreedt. Dan wordt eerst bij verkiezingen de premier-bonus geïncasseerd en kan nadat hij is teruggetreden de opvolger zich in zijn nieuwe functie profileren als natuurlijke opvolger. Zo'n transitie is slechts goed te verdedigen bij `overmacht'. Bijvoorbeeld een beroep uit Europa op de zittende premier.

Hoe dan ook, Wim Kok, vanaf 1973 toen hij voorzitter werd van de vakcentrale NVV al betrokken bij het openbaar bestuur, zit in zijn nadagen. En of hij het wil of niet: de discussie over zijn opvolging wordt gevoerd. Zoals Kok zelf vijftien jaar geleden ten tijde van zijn afscheid als voorzitter bij de FNV zei: ,,Je moet soms dingen aanvaarden zonder ze te accepteren.''