HET GEVECHT TEGEN DE LOSERS-CULTUUR

Nog één keer reikt hij het Nederlandse waterpolo de hand. Hans Nieuwenburg (31) keert terug in de nationale ploeg en zette onlangs zijn toekomst- plannen voor de noodlijdende sport op papier. ,,Ik weiger mijn kop nog langer in het zand te steken.''

Afgunst is het niet, want wie is hij om de zwemmers hun successen te misgunnen? Maar natuurlijk: regelmatig spookt de vraag door zijn hoofd. Waarom de zwemmers wél en zij, de waterpoloërs, niet? Oftewel: wat hebben de zwemmers gedaan wat de waterpoloërs hebben nagelaten? Over het antwoord hoeft Hans Nieuwenburg niet lang na te denken. ,,Particulier initiatief ondernomen'', zegt de aanvoerder van Polar Bears.

Terwijl het Nederlandse zwemmen hardop nadenkt over verdere professionalisering van het eigen topsportmodel, drijven de waterpoloërs steeds verder af. Reikten de bomen vier jaar geleden nog tot in de hemel dankzij de steun van NOC*NSF, inmiddels bedraagt het budget voor de nationale ploeg nog slechts 35.000 gulden per jaar. ,,Een bedrag waar de gemiddelde club uit het amateurvoetbal zijn neus voor ophaalt'', schampert Nieuwenburg.

Nee, vrolijk wordt de 31-jarige schrijver-publicist niet als hij de balans opmaakt. Maar Nieuwenburg weigert zich murw te laten beuken door het verstikkende negativisme in en rondom de Nederlandse zwembaden. Zwartkijkers telt het waterpolo al genoeg, weet de robuuste spelverdeler. Ter illustratie wijst hij op zijn eigen blad, het waterpolotijdschrift ManMeer! ,,Toen ik ermee begon, gaf niemand een cent voor de overlevingskansen. Waar begin je aan, heb je niets beters te doen, en meer van dat soort geluiden. We zijn nu drie jaar verder en hoewel er nog steeds wat geld bij moet, gaat het steeds beter.''

Maar wat graag zou de hoofdredacteur zijn bemoeienis met het waterpolo verder uitbreiden, in een poging de sport uit het slop te halen. ,,Niet uit ijdelheid, maar omdat het waterpolo mij aan het hart gaat. Ik weiger mijn kop nog langer in het zand te steken. Daarom provoceer ik nu. Op de kamers lullen de internationals al jaren over de noodzaak om het roer om te gooien, maar het bleef bij praten. We klampten ons telkens vast aan de gedachte dat we op een goeie dag de doorbraak zouden forceren. Maar elke keer opnieuw was het net niet.''

Vorige maand nam Nieuwenburg het woord tijdens een bijeenkomst over de toekomst van het waterpolo. Ten overstaan van een gezelschap waterpolo-getrouwen, onder wie afgevaardigden van de Nederlandse zwembond (KNZB), maakte de routinier zich sterk voor een cultuuromslag. Zijn ideeën heeft hij intussen in grote lijnen op papier gezet, met als insteek de vraag: hoe bevrijdt het waterpolo zich uit het knellende keurslijf van het amateurisme? Antwoorden denkt Nieuwenburg te vinden in de opzet van een stichting, het vastleggen en begeleiden van jong talent, en professionaliseren met behulp van één of meerdere sponsors.

Niet dat hij het recept in handen heeft, maar: ,,Er moet iets gebeuren, daar is iedereen het over eens. Op deze voet doorgaan heeft geen enkele zin. Dan blijven we aanmodderen. Nederland beschikt over de grootste waterpolocompetitie ter wereld. Dat is een gigantische vijver, maar daar wordt niets mee gedaan.''

Het is een oud verhaal, weet Nieuwenburg. Maar daarom niet minder waar en de ex-aanvoerder van de nationale ploeg is niet te beroerd de realiteit nog eens uit de doeken te doen. ,,Zodra wij met Polar Bears meer dan twee keer in de week willen trainen, moeten we naar Papendal uitwijken. In Ede zelf moeten we pas op de plaats maken voor het doelgroep-, het zwangerschapszwemmen en noem maar op. Zelfs in Oost-Europese ontwikkelingslanden gaat het er professioneler aan toe. Hier stappen ze met de laptop en het benzinepompbroodje nog in de hand de auto uit voordat ze het water induiken. Dat is geen normale topsportbeoefening.''

Nieuwenburgs eigen ervaringen dienden als leidraad bij het opstellen van zijn toekomstvisie. ,,Ik weet hoe frustrerend het is om idealen te hebben en relatief veel te trainen, maar net niet genoeg om de laatste stap te kunnen zetten. Ik wil voorkomen dat de volgende generatie hetzelfde overkomt. Het is mooi hoor, om nu tegen die jonge gasten zeggen: kom op, we gaan tien keer per week trainen en in 2008 winnen we goud. Dan denk ik: dat is niet reeël. Je moet het plan verder aankleden, met studie- en maatschappelijke begeleiding om maar eens wat te noemen. Anders is de hele opzet gedoemd om te mislukken.''

Vooralsnog betalen de waterpoloërs de tol voor het uitblijven van prestaties, beseft Nieuwenburg. ,,Eerst presteren en dan het geld, zo redeneert NOC*NSF. Hoezeer ik die benadering ook begrijp, vind ik het niet helemaal eerlijk gelet op de mondiale krachtsverhoudingen. Wie topprestaties eist moet topfaciliteiten creëren. Johan Aantjes (bondscoach, red.) zei het afgelopen zomer nog, toen hij te horen kreeg dat-ie eerst maar eens van Roemenië moest winnen voordat hij met een eisenpakket op tafel kwam: `Alsof ik een kroket uit de muur trek'. Waarmee hij maar wilde zeggen dat je niet zomaar van Roemenië wint. Die jongens zijn stuk voor stuk fullprof in Italië.''

Na de Olympische Spelen in Atlanta ('96) bedankte Nieuwenburg voor de nationale ploeg, om nog geen maand later alweer spijt te krijgen. Een jaar later, na het Europees kampioenschap in Sevilla, volgde het afscheid van de aanvoerder die meer dan 250 wedstrijden speelde voor de nationale ploeg. Voorgoed zo leek het, totdat vorige maand plotseling een verheugende mededeling binnenkwam op het bondsbureau in Nieuwegein. Nederland was welkom bij het olympisch kwalificatietoernooi, van 6 tot en met 14 mei in Hannover, toen bleek dat een Aziatisch en een Afrikaans land zich hadden afgemeld.

Nog één keer reikt Nieuwenburg het Nederlandse waterpolo de hand. ,,Onder het mom van: zolang ik in de hoofdklasse nog met de besten mee kan, ben ik ook in staat om in het Nederlands team een waardevolle bijdrage te leveren. Omdat van een serieuze voorbereiding geen sprake is vanwege competitieverplichtingen rest de bondscoach niets anders dan de dertien beste waterpoloërs mee te nemen. Hoe meer routine, hoe beter. Want de ervaring leert dat bij zulke toernooien op het scherpst van de snede gestreden wordt. Jeugdige talenten inpassen is van later zorg.''

Gelet op de teleurstellende prestaties van de laatste jaren lijkt kwalificatie, een plaats bij de beste vier, een onmogelijke opgave in een veld van zestien, dat wordt aangevoerd door Rusland en Joegoslavië. Maar Nieuwenburg weigert het hoofd in de schoot te werpen. ,,Kijk naar die voetballers van Denemarken. Die werden in '92 van het strand geplukt na de uitsluiting van Joegoslavië en verrasten vervolgens vriend en vijand door Europees kampioen te worden.''

Niet dat het Deense scenario een realistische optie is, maar wat Nieuwenburg maar wil aangeven is dit: ,,Eén ploeg steekt er met kop en schouders bovenuit, vermoedelijk Rusland, en dan heb je altijd twee ploegen die het sowieso niet redden. Daartussenin zit een groep waarvan iedereen van iedereen kan winnen, dus ook Nederland.''

Dat mag zo zijn, de vraag is wat de waterpoloërs in Sydney te zoeken hebben. Opnieuw fungeren als hapklare brok voor de grootmachten? Nieuwenburg, zuchtend: ,,Het belang ligt voornamelijk in het feit dat we bij plaatsing weer in beeld komen bij NOC*NSF. Bovendien is Sydney een prachtig vertrekpunt voor een op te richten stichting. Nu deelnemen en ervaring opdoen om straks dankzij een professionele aanpak een woordje mee te spreken.''

Zijn rentree kan worden uitgelegd als een vriendendienst en is, zo benadrukt Nieuwenburg, eenmalig. ,,Sydney is voor mij niet aan de orde. Het zou namelijk betekenen dat ik een hele zomer moet trainen in de wetenschap dat de tiende plaats zo'n beetje het maximaal haalbare is. Daar pas ik voor. Ik ga niet meer naar de Olympische Spelen louter en alleen om deel te nemen. Dat heb ik nu twee keer meegemaakt, die frustratie wil ik mijzelf graag besparen.''

Het laatste EK, zes maanden geleden in Florence, liep uit op een fiasco. Met de twaalfde en laatste plaats onderstreepte het zevental van bondscoach Aantjes andermaal hoe diep de eens zo trotse waterpolonatie, winnaar van de bronzen medaille in Montreal ('76), gezonken is. Het echec sloot naadloos aan op de reeks teleurstellingen die de waterpoloërs het stempel van `schlemielen van de Nederlandse sport' hebben bezorgd.

Een imago dat de waterpoloërs zelf in de hand werkten door na afloop van een toernooi steevast te vervallen in een lethargische klaagzang. Telkens was er een excuus: een scheidsrechterlijke dwaling, een ongelukkige loting of de constatering dat sinds het uiteenvallen van Oost-Europa, de bakermat van het waterpolo, het aantal (semi-professionele) concurrenten is toegenomen. Hoe realistisch sommige excuses ook klonken, bij het uitblijven van aansprekende overwinningen maakten ze gaandeweg steeds minder indruk. Sterker nog, de `verzachtende omstandigheden' leken meer en meer op een dekmantel om het eigen falen te maskeren.

Nieuwenburg weet het. ,,Aantjes bracht het onlangs treffend onder woorden toen hij het had over een losers-sfeer die rondom het mannenteam hangt. Een cultuur waarin mensen telkens niet verder komen dan de achtste plaats en de koppies steeds verder omlaag gaan hangen. Vergeet niet: wie keer op keer achtste, negende of tiende wordt, heeft ook weinig te vertellen. Zo iemand kweekt geen persoonlijkheid, en straalt dat dus ook niet uit.''

Achtervolgd worden de waterpoloërs bovendien nog steeds door de grootspraak in de aanloop naar de Olympische Spelen in Atlanta. Na een voorbereiding waarin de ploeg vier maanden onafgebroken trainde in Zeist en het aan niets ontbrak, riepen de internationals, Nieuwenburg voorop, dat de toplanden rekening moesten houden met Nederland. Des te pijnlijker was de tiende plaats die uiteindelijk werd behaald.

Nieuwenburg, schuldbewust: ,,We waren té optimistisch en hebben, dat kan ik niet ontkennen, veel te hoog van de toren geblazen. Dat reken ik mijzelf aan. Een achterstand van jaren haal je niet in door een paar maanden keihard te trainen. We dachten dat het werkte, maar achteraf zeg ik, en met mij de andere internationals: we zijn vreselijk naïef geweest. We hadden oogkleppen op en dachten wel eventjes in de voetsporen van de volleyballers te kunnen treden. Maar we vergaten te kijken naar hoelang zij nodig hebben gehad om de kloof te dichten: bijna tien jaar.''

Hoewel de toenmalige bondscoach Hans van Zeeland zich sterk maakte voor de instandhouding van de bestaande faciliteiten, liet de KNZB het begaan, waarna Van Zeeland gedesillusioneerd afhaakte. Nieuwenburg noemt de gemakzuchtige houding van de bond tekenend. ,,Het ontbreekt aan mensen die met de vuist op tafel slaan. Zonder slag of stoot heeft de bond zich neergelegd bij het feit dat een complete generatie min of meer werd afgeschreven.''

Groot was dan ook de verbazing bij Nieuwenburg toen de bond afgelopen najaar voorstelde om het accent definitief te verschuiven naar de jeugd. Voor de A-internationals was geen plaats meer, luidde de impliciete boodschap. ,,Geen land ter wereld schaft de A-selectie af. Dat bestaat niet! Dat zou wat zijn: jochies van een jaar of vijftien naar een seniorentoernooi sturen. Die gasten worden met 21-0 geveegd en degraderen onherroepelijk naar de B-poule. Is dat wat we willen? Het is onzin te veronderstellen dat de huidige generatie als verloren kan worden beschouwd. Niet voor niets spelen er momenteel drie Nederlandse jongens als prof in het buitenland.''

Nee, een hoge pet heeft Nieuwenburg niet op van de zwembond. ,,Het probleem is de structuur. De bond heeft vier totaal verschillende disciplines onder zijn hoede (schoonspringen, synchroonzwemmen, waterpolo en zwemmen, red.). Terwijl waterpolo en zwemmen zich in mijn ogen verhouden als ijshockey tot schaatsen. Alle secties hebben met elkaar te maken en moeten verantwoording afleggen aan het bestuur, die het dan weer moet terugkoppelen, enzovoort, enzovoort. Kortom, een log en inefficiënt apparaat.''