Foute leden

Volgende week viert voetbalclub Ajax zijn honderdjarig bestaan. Vergeten zijn de zeventien leden die na de Tweede Wereld- oorlog werden geroyeerd. Een van hen was erelid Joop Pelser. Na 55 jaar onthult zijn zoon Harry Pelser dat het hele gezin `fout' was in de oorlog.

Hij heeft de angst voor een confrontatie met zijn oorlogsverleden 55 jaar met zich meegedragen. Twee jaar geleden ontving Harry Pelser uit handen van voorzitter Michael van Praag een gouden speld, omdat hij vijftig jaar lid was van Ajax. Trots laat de inmiddels tachtigjarige oud-Ajacied de foto's zien. ,,Maar ook op die bijeenkomst was ik bang dat sommige oud-Ajacieden het zouden weten van mijn familie, dat ze lastige vragen zouden stellen.'' Want wie wist bij Ajax dat behalve – de in 1945 door de club geroyeerde – Joop Pelser ook zijn zoon Harry lid was van de NSB?

Met zijn broers Jan, Adriaan en international Fons maakte Joop Pelser deel uit van een beroemde Ajax-familie. Jan Pelser speelde van 1908 tot 1910 voor Ajax, Adriaan van 1908 tot 1913. In 1913 debuteerde rechtsback Fons Pelser, die tot 1926 194 keer voor Ajax zou uitkomen. Joop Pelser speelde evenveel wedstrijden van 1911 tot 1924, toen hij zijn carrière wegens zijn slechte knieën moest beëindigen. Joop was aanvoerder van het kampioenselftal in 1918. Volgens ooggetuigen was hij een mooie voetballer, technisch begaafd en een persoonlijkheid in het veld. ,,Mijn vader had de pech dat hij in die periode moest opboksen tegen de legendarische Bok de Korver, anders had hij zeker het Nederlands elftal gehaald'', veronderstelt zoon Harry.

Na zijn actieve loopbaan was vader Joop Pelser enkele jaren bestuurslid van Ajax. In een clubblad uit 1925, bij het 25-jarig jubileum van Ajax, wordt Joop Pelser omschreven als de man ,,die ongeveer twaalf jaar geregeld het eerste elftal aanvoerde en die op het oogenblik de club als bestuurder uitstekende diensten bewijst''. Zijn zoon Harry kwam in 1939 in het eerste elftal. Hij speelde bij Ajax tot 1944, toen de Nederlandse voetbalcompetitie wegens de erbarmelijke omstandigheden in het laatste oorlogsjaar werd stilgelegd. ,,Ik was vier jaar oud, toen mijn vader stopte met voetballen'', vertelt Pelser. ,,Ik heb hem dus nooit zien spelen.''

Nazi-regime

Halverwege de jaren dertig merkte Harry Pelser dat zijn ouders sympathiseerden met het nationaal-socialisme. In 1936 werd zijn moeder Marie lid van de NSB. ,,Mijn moeder was inderdaad een fanatieke aanhangster van de NSB'', zegt zoon Harry. ,,Maar vergeet niet dat de NSB in 1936 nog een legale, nationalistische partij was, vergelijkbaar met de Boerenpartij van boer Koekoek in de jaren zeventig.''

In het strafdossier van Joop Pelser op het ministerie van Justitie is een verklaring opgenomen, waarin hij uitlegt waarom ook hij zich bij de Nationaal Socialistische Beweging heeft aangesloten. ,,In den eersten tijd van mijn trouwen had ik goed mijn brood. In den crisis-tijd van 1935-1939 gingen mijn inkomsten achteruit. Mijn vrouw is in 1937 of 1938 door buurvrouwen en vriendinnen overgehaald om lid te worden van de NSB. Omdat het ons gezin zo slecht ging heb ik mij in 1939 of 1940 door mijn vrouw over laten halen om lid te worden van de NSB. Dit ben ik gebleven tot naar ik meen mei 1943. Ik heb toen bedankt, omdat ik als Rooms-Katholiek uitgesloten was van de genademiddelen zoals communie, biecht e.d. Alle bewijzen dat ik lid geweest was van de NSB zijn toen door mij vernietigd.''

Een formulier kwam toch nog op in zijn dossier terecht. Uit het bewijs van inschrijving bij de NSB valt op te maken dat Joop Pelser vijftig cent per maand aan contributie betaalde. De vraag op het formulier `Zijt gij Arisch?' is met ja beantwoord. Joop Pelser werkte vanaf 13 juli 1942 negen maanden voor de Duitse `roofbank' Lippmann Rosenthal en Co.

Bij zijn verhoor door leden van de Binnenlandse Veiligheidsdienst verklaarde hij: ,,Het was mijn taak om met een agent van Politie en iemand van de firma Lippmann en Rosenthal (die de waarde van de voorwerpen schatte) mee te gaan en de woningen waar Joden weggehaald waren, te inventariseren. Bij genoemde dienst verdiende ik tweehonderd gulden per maand.

,,Op 3 mei 1943 werd ik door de Duitsers gearresteerd, omdat een der onderofficieren, welke ook aan de Hausrat-Erfassung was verbonden, met een Jodinnetje onzedelijke handelingen gepleegd had. Van deze handelingen zou ik kennis hebben gekregen doch er geen melding van hebben gemaakt. Hiervoor werd ik opgesloten in het Huis van Bewaring II te Amsterdam, waar ik op 9 juli 1943 werd ontslagen zonder verder verhoord te zijn geworden.''

Joop Pelser werd op 6 maart 1947 door het speciaal voor oorlogsmisdaden opgerichte Tribunaal veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en drie maanden met aftrek van voorarrest. Uit het verslag van de rechtszitting: ,,Dat het Tribunaal den beschuldigde zwaar aanrekent dat hij zich niet heeft ontzien om gedurende ruim negen maanden door hem in de beschuldiging ten laste gelegde gedragingen de vijand bij de uitplundering van Joodsche Nederlanders diensten te bewijzen en er zelfs niet voor is teruggedeinsd om de vijand hulp en steun te verlenen door gedurende veertien dagen ten behoeve van de vijand werkzaam te zijn in de Hollandse Schouwburg te Amsterdam, die zoals van algemene bekendheid is, voor de daarin door de vijand samengebrachte Joodsche Nederlanders het voorportaal van de dood was.''

Lief, dom en fanatiek

Harry Pelser debuteerde in 1939 in het eerste elftal van Ajax. Zijn ploeggenoot Joop Stoffelen wist toen al dat vader en zoon Pelser lid waren van de NSB. ,,Dat was algemeen bekend'', verklaart de 76-jarige oud-international. ,,Harry Pelser heeft geen mensen verraden, dat kan niet. Harry was lid van de partij en ik heb hem wel eens de NSB-krant Volk en Vaderland zien lezen. Je kwam elkaar bij Ajax drie keer per week in de kleedkamer tegen. Maar je zag wel eens wat door de vingers in die tijd.''

Harry Pelser erkent dat ook hij lid was van de NSB. ,,Maar ik bezweer je dat ik daar pas achter ben gekomen, toen ik door het Tribunaal werd veroordeeld. Mijn moeder was lief, dom en fanatiek: zij heeft me opgegeven als lid van de NSB. De president van de rechtbank, mr. Belinfante, zei me letterlijk dat het lidmaatschap van de NSB niets voorstelde. Ik heb er ook niets mee gedaan. Maar ik ben zo stom geweest om net als mijn vader ook een tijdje bij de Duitse bank Lippmann en Rosenthal te werken. Die baan heb ik nota bene gekregen na een tip van een joods vriendinnetje, dat ik van het cricket kende. Ik geloof ook niet dat mijn afdeling rechtstreeks te maken had met de roofpraktijken van de nazi's . Maar mijn aanwezigheid bij die bank werd door het Tribunaal uitgelegd als collaboratie.''

Zijn oudste broer Jan koos nog nadrukkelijker de zijde van de bezetter door zich als jochie van zeventien jaar spontaan aan te melden bij de SS. Broer Harry: ,,Jan was plotseling verdwenen. Toen kregen we het bericht dat hij in Schalkhaar zat, het opleidingskamp voor rekruten van de SS. Jan heeft nog meegevochten aan het Oostfront. Als door een wonder heeft hij het overleefd. Ter verdediging van mijn moeder moet ik aanvoeren dat ze er alles aan heeft gedaan om Jan uit de SS te halen. Dat ging haar toch te ver. Eerst kreeg ze te horen dat ze zich niet moest bemoeien met de opvoeding van haar zoon. Uiteindelijk mocht Jan toch tijdelijk op verlof naar Nederland.''

Na zijn terugkeer besloot Jan Pelser jr. te deserteren bij de SS. Toen hij vervolgens werd aangehouden door een officier van de SD ontstond een schietpartij. ,,En Jan haalde de trekker net iets eerder over dan die officier'', vertelt Harry Pelser. ,,Daardoor heeft hij het overleefd.''

Harry Pelser werd er bij Ajax tijdens de oorlog niet op aangekeken. De sport ging immers gewoon door en hij combineerde het cricket bij VVV met het voetbal bij Ajax. Officieel heeft Harry Pelser slechts 25 competitiewedstrijden voor Ajax gespeeld in de periode 1939-1944. ,,Als je de vriendschappelijke duels en de toernooien daarbij optelt, kom je wel op 100 wedstrijden uit'', zegt Pelser. ,,Ik was een middenvelder, een rechtsbinnen in die tijd, met een mooie trap. Maar van april tot september voetbalde ik niet, dan speelde ik cricket bij VVV.''

Ondergedoken

Ajax merkte aanvankelijk weinig van de oorlog. Ajacied Jaap Hordijk werd door de nazi's opgeroepen voor de Arbeitseinsatz in Duitsland. ,,Bij Ajax waren tot 1942 nog geen spelers verdwenen'', vertelde het inmiddels overleden erelid in 1979 aan Vrij Nederland. ,,In wezen hadden we niet zoveel joodse voetballers. Jaap van Praag en Jopie Schellevis zaten ondergedoken, eigenlijk waren Jopie de Haan en Eddie Hamel de enigen die we na de oorlog misten.'' De werkloze Ger Stroker was in september 1940 vrijwillig naar het Derde Rijk vertrokken, waar hij gedurende de oorlog voor elke wedstrijd met Potsdam '03 de Hitlergroet bracht. ,,Ger noemden we het moffie'', vertelt Stoffelen.

Zo werd de sport een vlucht uit de realiteit. ,,Ik had niks anders te doen dan te voetballen en te cricketen'', verontschuldigt Harry Pelser zich. ,,We vonden het verschrikkelijk dat in het seizoen 1944-'45 niet meer gevoetbald werd. Niet alleen de bal bleef rollen. We bleven ook uitgaan, gingen naar de bioscoop. Mijn vrouw zong tijdens de oorlog in een koor, had ze niet mogen blijven zingen? Daarvoor hoefde ze geen lid te zijn van de Kulturkammer.''

Na de oorlog boog de zogeheten zuiveringscommissie bij Ajax onder leiding van de toenmalige voorzitter Marius Koolhaas zich over het gedrag van zijn `foute' leden. Oud-speler Jan Schubert was één van de drijvende krachten in de commissie. Zijn weduwe Frida herinnert zich nog goed hoe enorm gemotiveerd haar in 1960 overleden echtgenoot was. ,,Mijn man had in de oorlog anderhalf jaar ondergedoken gezeten. Al die tijd heeft hij doodsangsten uitgestaan. Jan meldde zich na de oorlog spontaan aan bij de zuiveringscommissie om voorgoed af te kunnen rekenen met de leden, die Ajax een slechte naam hadden bezorgd. Hij was daar heel fel in.''

In totaal zeventien leden werden door Ajax afgevoerd – een relatief klein aantal. ,,Maar ik heb de indruk dat het gedrag van sommige leden door de commissie is vergoelijkt en dat had niet gemogen'', zegt de 81-jarige Frida Schubert. ,,Voorzitter Koolhaas was een opportunist, hij waaide met alle winden mee. Jan noemde wel eens namen van leden, die bij de zuiveringscommissie aan de orde waren geweest. Dan riep ik verbaasd: `Die ook? En die ook?' Het was wel duidelijk dat voor Joop Pelser geen pardon kon gelden, al werd mijn man daar later lelijk op aangekeken. Veel mensen bij Ajax vonden het niet nodig dat hij werd geroyeerd.''

Volgens de vroegere aanvoerder Joop Stoffelen heeft de zuiveringscommissie van Ajax het Harry Pelser niet zwaar aangerekend dat ook hij lid was van de NSB. ,,Ze hebben de schuld geheel bij zijn vader Joop gelegd door hem te royeren en Harry bewust vrijuit laten gaan.'' Daarom kon Harry Pelser ook lid blijven van Ajax. Maar Frida Schubert kende zijn geheim. Ze was voor de oorlog bevriend met Harry Pelser. ,,Ik kende hem van het cricket'', zegt ze. ,,Tijdens de oorlog heb ik hem niet gezien, daarna één keer op het Leidseplein. Hij begroette me vriendelijk. Ik heb hem ook wel eens over de telefoon gesproken. Maar over het verleden durfde Harry niet te praten. Ik kan me voorstellen dat hij zich daarvoor geneert.''

Wat had Harry Pelser haar moeten vertellen? Zo lang mogelijk heeft hij de bittere waarheid voor zich gehouden. ,,U bent de eerste die mij ernaar vraagt. Nu kan ik niet langer om de waarheid heen draaien.'' Op 23 mei 1945 werd het gezin Pelser, op de jongste zoon Jopie na, opgepakt door leden van de Binnenlandse Veiligheidsdient. De internering van veertien maanden ervaart Pelser als de grootste vernedering uit zijn leven. ,,Ik wil me niet achter mijn ouders verschuilen'', zegt hij. ,,Maar ik ben wel meegezogen door hun pro-Duitse opstelling. Toch had ik na de oorlog een menswaardiger behandeling verdiend.''

Aanvankelijk werd Harry Pelser vastgehouden op de Amsterdamse Levantkade. Daarna werd hij tewerkgesteld in de Noordoostpolder. ,,Ik heb een jaar lang aardappels gerooid. Ik werd afgevoerd bij het Tribunaal in een bruine trui en een bruine broek. Die had ik na veertien maanden nog steeds aan, alleen mijn rechterschoen was kapot. Die heb ik met touwtjes vast moeten zetten. Verder ben ik goed behandeld, de bewakers hebben me niet geslagen. De foto van mijn meisje, mijn latere vrouw, heb ik mogen houden. Die heb ik veertien maanden lang onder mijn kussen gehad. Ik begrijp dat van een voormalige NSB'er geen jankverhaal wordt geaccepteerd. Maar die tijd heeft wonden geslagen, die nooit meer zijn geheeld.''

Met zijn vader Joop heeft Harry er nooit meer over durven praten. Elke verwijzing naar de oorlog was voortaan taboe in huize Pelser. De overige familieleden hebben zich gedistantieerd van de `bruine familie'. Alleen met zijn oom Fons heeft Harry nog contact gehad, toen hij diens sigarenzaak overnam. ,,Joop is na de oorlog nooit meer bij Ajax geweest'', vertelt Harry. ,,Maar die man was zo gesloten. Hij was geen prettige vader. Joop heeft me zelfs nooit aangeraakt. Ik kan me niet herinneren dat hij me ooit gekust heeft. Hij heeft me geloof ik één keer zien voetballen. Mijn vader leek soms buiten het gezin een tweede leven te leiden. Toen ik pas geboren was, dronk hij stevig. Ik was stapelgek op mijn moeder, met mijn vader had ik in feite geen band.''

In zijn maatschappelijk leven na de oorlog heeft Pelser zich nimmer hoeven te verantwoorden voor zijn oorlogsverleden. Hij maakte carrière bij Van Leer en later bij Brother International. Zijn drie dochters hebben nooit geweten welk geheim hun vader met zich mee droeg. ,,Soms wordt een complete film in mijn hoofd afgedraaid'', zegt hij. ,,Dan komt alles weer boven.''

En altijd sluimerde diep van binnen de angst dat het verborgen drama in de familie Pelser uit zou komen. ,,Mijn dochters hebben een ander beeld van de familie dan ik nu heb geschetst, dat is nog het ergste'', zegt Pelser, terwijl de tranen in zijn ogen staan. ,,Ik heb alles willen opbiechten, omdat ik de last van de oorlog niet langer kon dragen. Mijn vader interesseert me niet meer, die man is al dertig jaar dood. Ik heb het mijn moeder vergeven dat ze lid was van de NSB.En van mijn eigen lidmaatschap kan ik slechts zeggen dat ik me er nauwelijks bewust van ben geweest. Maar de schaamte en het verdriet hebben me gesloopt.''

Elke verwijzing naar de oorlog was voortaan taboe in huize Pelser