Waarom er altijd post is

Jan Ouwersloot maakte in de jaren dertig een schilderij van het Leidseplein. ,,Dit is geen vluchtige impressie. Je loopt echt op het Leidseplein.''

Een vriend vertelt dat hij al jaren post ontvangt voor een onbekende. De brieven zijn niet verkeerd geadresseerd. Naam en adres blijven hardnekkig hetzelfde. Het moeen groot Nederlands orkest. Foldertjes voor het nieuwe seizoen en ook wel tussennieuws over een plotseling ingelast concert. Hij ontvangt nog meer. Een in doorzichtig plastic verpakt tijdschrift dat alleen aan groente is gewijd. Elk voorjaar komt er een kleurenfolder met voordelige reizen naar Suriname en de Caraïbische eilanden. En dan zijn er plotseling giro's van instellingen ter bevordering van de bijenteelt of ter bestrijding van een tropische ziekte. De naam van de bewoner moet op zo'n liefdadigheidslijst terecht zijn gekomen, toegankelijk voor elk nieuw instituut dat om geld verlegen zit.

M'n vriend gooit alles weg. Tot hij op een dag een brief krijgt die niet tot de onderlaag van de post hoort. Dit keer is de envelop gesloten. Na al die jaren van algemene berichtgeving windt het met de hand geschreven adres hem zo op dat hij de brief na een lichte aarzeling open maakt. Eindelijk iets persoonlijks over de huisgenoot die tot nu toe uit muziek, groente, liefdadigheid en de tropen heeft bestaan.

Het gaat om de reünie van een schoolklas. De tekst is geschreven op de geamuseerde toon waarmee volwassenen hun middelbare schooltijd proberen te rekken. Uit de genoemde jaartallen valt op te maken dat de onbekende man ver over de vijftig moet zijn. Een paar weken later zit er bij de post een rouwenvelop, opnieuw voor de vroegere bewoner. Het doet er niet toe wie er wordt betreurd. Na de reünie en het overlijdensbericht krijgt m'n vriend het gevoel of hij in overtreding is in zijn eigen huis. Iemand anders is hier nog steeds het middelpunt van een postaal web. Hoe lang geleden de onbekende ook vertrokken mag zijn, z'n vroegere straat is nog niet uitgewist. Met `allang verhuisd' doet mijn vriend de twee brieven op de bus. Hij zegt tegen me dat in de post die je ontvangt een rangorde zit. Vrienden, familie, soms een beminde, dan misschien werkbrieven en ambtelijke stukken, hij wil het verder niet helemaal uitrekenen, maar de buitenste cirkel wordt ingenomen door de groente en de tropen, ze hebben nauwelijks een adres nodig. Dat blijven de taaiste mededelingen, al besta je niet meer, dan komen ze nog. Ze zijn familie van de studente die een kamer zoekt, van alle huis-aan-huis-post die je vindt op de mat, aanbiedingen van de supermarkt, menu's van afhaalrestaurants. En toch leiden de lijsten, waarop de naam van de onbekende voorkomt, een hovaardig bestaan. Het zijn opsommingen met een groot aanzien, geen naam mag worden doorgekrast. Zo is er altijd post, zegt mijn vriend. Hij verwacht zelfs andere rouwbrieven. De onbekende heeft de leeftijd waarop kennissen, die hij lang niet heeft gezien, gaan sterven.

Een paar dagen na het gesprek over de rangorde van de post ga ik naar Magie en zakelijkheid - realistische schilderkunst in Nederland 1925-1945 in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem, op 12 december 1999 in deze krant besproken door Jan van Geest. De tentoonstelling werd een groot publiek succes, duurde tot 8 februari, maar is gelukkig niet echt afgelopen. De catalogus is een gebonden boek van 336 bladzijden dat op zichzelf kan staan. Bijna alle geëxposeerde werken, meer dan 150, zijn er in opgenomen, met de biografieën van bekende en soms vrijwel vergeten schilders. Het boek bevat essays van Ype Koopmans, Maaike Buijs en Karin Söhngen, die Magie en zakelijkheid samen met Carel Blotkamp en de vakgroep kunstgeschiedenis van de Vrije Universiteit te Amsterdam hebben samengesteld. Van Geest schrijft dat in Arnhem voor het eerst een periode in kaart is gebracht die in Nederland altijd in het teken stond van een beperkt aantal kunstenaars, `de herenclub van de magisch realisten met Carel Willink, Pyke Koch, Wim Schumacher, Dick Ket en Raoul Hynckes en kopstukken als Charley Toorop, Edgard Fernhout of Joop Moesman'. Hij zegt dat ze in Arnhem worden behandeld als representanten van een stroming die in wezen een vergaarbak was.

Met Magie en zakelijkheid verliezen schimmige begrippen als magisch realisme, nieuwe zakelijkheid en surrealisme hun betekenis. Er ontstaat een tussengebied met voorstellingen die wel bij de jaren dertig horen en toch bij geen enkele stroming kunnen worden ondergebracht. Iedereen kan z'n eigen ontdekkingen doen. Op De kringloop van het water (1928), geschilderd door Ger Gerrits, zie je hoe een waterval in zee uitkomt. Uit een daarop aangesloten kraan loopt een straal water in een ketel. Stoom ontsnapt uit de tuit, de ketel staat op een gasstel. Van Nola Hatterman is er een Stilleven (1929) met borstplaat, sigarendoos, kop, taartje, glas, fles, servet, tafel en sleutel, het ensemble kent geen harmonie, het is op goed geluk bijeen, als een hoopje brieven achter een glazen deur van een bedrijf dat dicht is.

Even verder laat Wout van Heusden met Ongewoon wankel evenwicht (1932) een boek, een peer, enkele bladeren en een paar Goudse pijpen op een feestneus balanceren, geen parodie, eerder een nog niet ontsloten mogelijkheid. Ook de mensen op Magie en zakelijkheid hebben niet veel met elkaar op. De zeven passagiers in de Spoorwegcoupé (1932) van Wim Oepts zien eruit als omhulsels van het verzwegene. De buitenwereld lijkt hen te ontgaan. Ze kunnen niets met de banken, de ramen en de wolken beginnen. Gerrits, Hatterman, Van Heusden, Oepts, hun werk is nog enigszins bekend. Dan zie je ineens iets van een volkomen onbekende schilder. Het doek is niet eens zo groot, hooguit tachtig bij zestig centimeter, maar het heeft alles. `t Is het Leidseplein bij avond en het moet omstreeks 1932 zijn geschilderd. Het is voor een groot deel donker op het plein. Door de bijna zwarte bomen zie je nog net de rood oplichtende letters van het American Hotel. Boven het Leidsebosje is het ook duister, daarnaast neemt lijn 12 in z'n volle glorie de bocht. Het licht in de coupé is aan, je ziet een vrouw in een gele mantel en met een rode muts op heel klein voor het raam zitten.

Het plein is vanuit een hoog standpunt gezien, volgens de catalogus de hoektoren van het AMVJ-gebouw. Je denkt dat de schilder de verte wel een beetje vaag moet houden. Juist die heeft hij een grote precisie gegeven. Er zitten vijf verschillende reclamebiljetten achter de ramen van de tram. Zelfs het nummer van de wagen, 4772, is te lezen. Die nauwkeurigheid komt je bijzonder waarachtig voor. Hoe vaak licht, als je op straat loopt, een op het eerste gezicht onbereikbaar detail niet ineens op. De verlichte boogetalages van het Hirsch-gebouw met in de nok de studio van de fotograaf Merkelbach. De koplampen van een aankomende bus, een T-ford, een overstekende voorbijganger. Dit is geen vluchtige impressie. Je loopt echt op het Leidseplein. Met een vlugge hoofdbeweging kun je van alles kiezen, plenzen van licht op de trottoirs en op de vluchtheuvels onder de slanke lantaarnpalen. Rechts van die fietser heb je de brug met de zuiltjes aan beide kanten, de lichtreclame hoog boven het lichtblauwe café op de hoek, glimmend asfalt, `t heeft geregend.

Ouwersloot, zo heet de schilder, nooit van gehoord, Gouda 1902 - Amsterdam 1975. Misschien is z'n stadsgezicht een toevalstreffer, nee, iets verder hangt een schilderij dat nog mooier is. Een haringkar in het halfdonker vlak voor Vroom & Dreesmann, meer niet. De ontdekkingen van Blotkamp en de andere samenstellers zijn zo groot dat de jaren dertig voorgoed een ander gezicht krijgen. Nu zie je pas goed waar Cobra overheen is gedenderd.

Bij de topografische atlas op het gemeente-archief van Amsterdam aan de Amsteldijk probeer ik erachter te komen hoe dat gebouw van Vroom & Dreesmann eruit heeft gezien. `t Is een tip van Boudewijn Bakker, die het idee leverde voor de reusachtige foto's van Jacob Olie die je nu op de plek waar hij ze heeft genomen overal in de stad ziet.

Zaterdagavond (1935) heet Ouwersloots langwerpige voorstelling, tachtig bij ruim honderd centimeter. Alles wil ik erover weten, zo verleidelijk is het doek. Volgens de catalogus is de locatie de hoek van de Korte Prinsengracht en de Haarlemmerdijk. Dat moet de Haarlemmerstraat bij de Eenhoornssluis zijn, al is op die hoek allang geen Vroom & Dreesmann meer te bekennen.

De straten van Amsterdam zitten gefotografeerd in royale laden. Er dient zich een onverwachte hulp aan, de schilder G.H.Breitner. Hij fotografeerde de hoek in het voorjaar van 1906, twee heren met hoed lopen voorbij, een man probeert uit alle macht een zware handkar de brug op te trekken. Er staat dan nog een slordige groep huizen met het opschrift Assman & Co, Zuiveraars, voor het verdelgen van ongedierte of het raffineren van ruwe suiker, het kan alle twee. Op een andere foto zijn de huizen op de hoek half afgebroken, een paar vrouwen met witte strikschorten lopen op de brug en weer iets later, in november 1906, zie je een schutting om de bouwput met de tekst `Vroom & Co openen hier een speciaal magazijn van mantels, japonstof, blouses, costume rokken'. Een latere foto, niet van Breitner, uit 1933 toont het voor die tijd tamelijk grote gebouw van Vroom, dan al met Dreesmann, van opzij, standpunt Korte Prinsengracht, een parterre met etalages en daarop drie verdiepingen. Het standpunt van Ouwersloot is anders dan dat van Breitner. De haringman staat recht voor de hoek Korte Prinsengracht-Haarlemmerstraat. Achter hem de hel verlichte winkelruiten van V & D. Links, in het duister, een paar voorbijgangers. Vlak naast een wagen van lijn 5 kun je hun gezichten en hoeden net onderscheiden. Ook de Haarlemmerstraat kun je nog net inkijken, de met lampjes verlichte gevel van een bioscoop. Nee, die zat daar niet, `t moet een theater zijn.

De handelaar W. Cus van de Palmgracht maakt in 1935 een vis schoon. Z'n witte jasje vangt het meeste licht. Naast hem de kar met potten augurken en uitjes. Daaronder de bakken, doorzichtig wit, voor de vis. En toch is dit geen document, als de Haarlemmerstraat van Breitner. 's Avonds loop je op de Korte Prinsengracht. Je komt geen Vroom & Dreesmann tegen en lijn 5 rijdt hier niet meer door de Haarlemmerstraat. Ouwersloot heeft iets vastgelegd dat boven de toevalligheden van de tram en het warenhuis uitgaat. Het is nooit veranderd. Vijfenzestig jaar geleden werd het je gestuurd en daar op de hoek van de Haarlemmerstraat heb je het pas ontvangen, de wijkende lichtjes en dan weer de plotselinge scherpte als iets oplicht in de duisternis. 't Is de post die je krijgt omdat je in deze stad woont, nooit ben je er voorgoed weggegaan.

Carel Blotkamp, Yke Koopmans, Maaike Buijs, Karin Söhngen: Magie en zakelijkheid - realistische schilderkunst in Nederland 1925-1945, Waanders Uitgevers, Zwolle; Museum voor Moderne Kunst, Arnhem; ƒ65,-, gebonden ƒ85,-.