Twijfels aan de top

Bij de pindakaas is het misgegaan. Op de hellingen van de hoogste berg ter wereld vlogen de klimmers van de `Eerste Nederlandse Mount Everest Expeditie' elkaar in 1982 in de haren om de verdeling van een meegetorste pot pindakaas. De berg was te klein voor de bekvechtende laaglanders, die elkaar ook het recht op de eerste `toppoging' betwistten. De meegereisde AVRO zond alles uit en de alpinisten, die de top ook niet haalden, stonden voor gek.

De mislukking van wat de `pindakaasexpeditie' is gaan heten, wordt door Mariska Mourik aangedragen als belangrijkste oorzaak voor het verloop van de tweede Nederlandse expeditie naar de hoogste berg ter wereld, twee jaar later. Die tocht maakte ze zelf mee. Mourik, die ook radioreportages vanaf de berg zou maken, ging mee als een soort halve journalist, niet helemaal lid van de expeditie, maar wel overgeleverd aan de contracten die over de onderneming waren gesloten en die bedoeld waren om vooral goed nieuws van de berg te krijgen.

Na vijftien jaar twijfel en gewetensnood heeft ze er nu een boek over geschreven, Eén meter Everest. Gewetensnood, omdat Mourik er in weerwil van het officiële relaas van de expeditie, van overtuigd is dat haar collega Bart Vos de top van de berg niet heeft gehaald. De huldiging van Vos als eerste Nederlander (en 171ste mens) op de top was van meet af aan al omstreden, maar Mourik is de eerste expeditiegenote die hem in het openbaar afvalt.

Het lastige van dit boek is dat Mourik een op zichzelf geloofwaardig verhaal vertelt, maar dan wel als een literair reisverslag. Dat leidt niet alleen tot een vaak wat ongelukkig gebruik van stijlmiddelen, maar maakt vooral dat er geen bewijzen buiten haar eigen verhaal worden geleverd. Nu hangt alles af van haar vijftien jaar oude herinneringen. Die klinken plausibel, maar geven geen definitief uitsluitsel.

In Eén meter Everest wordt beschreven hoe er voor de tweede Everest-expeditie nauwelijks sponsorgeld te krijgen was: geen bedrijf wilde nog tienduizenden guldens steken in sportlieden die elkaar op achtduizend meter hoogte een potje pindakaas betwistten. Uiteindelijk werd toch nog bijna een half miljoen gulden bijeengesprokkeld. Er zou een door de Tros uit te zenden televisiefilm komen met Mars-repen etende bergbeklimmers en in triomf wapperende warenhuisvlaggen, ter commerciële exploitatie van het nationale succes. Bovendien zou het halen van de top de klimmers extra geld opleveren.

Om die film te maken, mocht Mariska Mourik – een filmmaakster met een passie voor bergbeklimmen – mee de berg op. Dat zijzelf de top niet zou halen, was vantevoren vastgelegd, zoals vrijwel alles op papier stond: wie wanneer en waar naar boven zou gaan, met hoeveel zuurstof en welke sherpa's.

Bart Vos zou de top wel halen, stond in het draaiboek. Maar als alle topsport is bergbeklimmen een onvoorspelbare aangelegenheid. Mourik en Vos gaan, aldus Eén meter Everest, met een sherpa op weg naar de top. Ze vorderen traag door Vos' slechte fysieke gesteldheid, maar hij heeft volgens het draaiboek recht op tweemaal zoveel zuurstof als zij. Mourik moet door zuurstofgebrek eerder omkeren. Vrij kort nadat ze in het lager gelegen tentenkamp is gearriveerd, komt ook Vos daar aan. Die heeft dan al per walkie talkie gemeld dat hij het niet heeft gehaald en ook als hij de tent binnenkruipt, zegt hij dat. Binnen enkele seconden klinkt het echter; `Ik ben er wel geweest.'

Dat is onmogelijk, meent Mourik. Vos was daarvoor veel te snel terug, ook had hij geen foto's gemaakt. De volgende dagen blijkt dat de sherpa's het bericht van de mislukking al in het dal hebben verspreid. Latere klimmers hebben gezien dat zijn spoor ruim vóór de top omkeerde, touwen die hij zegt te hebben gebruikt zijn plotseling verdwenen, een achtergelaten teddybeertje op de top heeft hij niet gezien. Ook heeft hijzelf niets op de top achtergelaten.

Hiertegenover staat het verhaal van Bart Vos zelf, gesteund door een getekende verklaring van een sherpa dat die hem op de top heeft gezien. Om de ongeruste sponsors te pacificeren – en de bonus van bijna een ton binnen te slepen – komen de expeditieleden in Kathmandu gezamenlijk tot een `reconstructie' van hoe Vos de top bereikt moet hebben. De prestatie wordt officieel erkend.

Ook Mourik houdt zich jarenlang aan deze versie van de gebeurtenissen: ze moet immers ook haar film nog monteren en uitgezonden krijgen. Pas vijftien jaar later besluit ze met haar verhaal naar buiten te treden, nadat Russische bergbeklimmers haar verteld hadden dat Vos in 1996, terwijl hij naar eigen zeggen de 8167 meter hoge Dhaulagari aan de ene kant beklom, hij eigenlijk aan de andere kant van de berg met hen aan de wodka zat.

Eerder dan in waarheidsvinding – daarvoor ontbreken zoals gezegd de harde feiten – ligt de waarde van Eén meter Everest in de ontluisterende inkijk die het biedt in de wereld van de professionele klimsport. De druk van sponsors en geldschieters is zo groot dat klimmers niet alleen kilo's merkproducten de Himalaya opslepen, maar hun draaiboeken zo vastleggen dat een mislukking eenvoudig ondenkbaar wordt. Zoals Mourik aan het einde zegt: `Wij Nederlanders hadden het na de pindakaasexpeditie voor eens en altijd voor gezien moeten houden. Sindsdien is het alleen maar verder bergafwaarts gegaan.'

Mariska Mourik: Eén meter Everest. Contact, 235 blz. ƒ36,90

Reizen