Stijl doet leven

Kan een boek dat je niets nieuws vertelt toch een goed boek zijn?

De onhuwbaren van Willem Melchior doet het verhaal van een klassieke adolescentenliefde. Lodewijk Thijssen is een keurige student van de totaal verliteratuurde soort. Het leven komt hem voor als iets uit een roman, hij heeft er zelf nooit mee van doen gehad. Hij leeft in een cocon en droomt van iemand die hem daaruit wakker kust. Op een feestje spreekt hij Sander van Loon, die net als hij verslingerd is aan literatuur en toch niet verder van hem af had kunnen staan. De jongen komt uit plat Den Haag en heeft zijn school niet afgemaakt, vindt dat ook helemaal niet nodig. Hij wil enkel leven, hier en nu, en die gedachte is de kus waar Lodewijk op wachtte. Sander wordt zijn afgod. Het verhaal dat dan volgt, maakt een vertrouwde drieslag. Deel I vertelt hoe Lodewijk zijn held een jaar lang najaagt. Hij staakt zijn studie en verruilt zijn suffe bril voor lenzen. Maar de enige die daardoor wordt geïmponeerd is vooralsnog hijzelf, zijn held ziet het van verre aan en lijkt voornamelijk kwaadaardig te genieten van het overwicht dat hij op Lodewijk ontwikkelt. Wat diens liefde uiteraard alleen maar aanblaast, want typeert dat niet juist de Meedogenloze Jongen die hij uit de boeken kent?

Deel II laat zien hoe Lodewijks gesmacht toch wordt beloond, als Sander voorstelt samen naar New York te vliegen om daar voluit te gaan leven. De meedogenloze jongen stelt daar weliswaar de eis bij dat het strikt platonisch blijft, maar is na aankomst zelf de eerste om dat te vergeten. Tot verbijstering van Lodewijk, die daarna maanden nodig heeft om te beseffen dat hij het voor elkaar heeft. Sander is zijn minnaar. Na die vervulling volgt, deel III, natuurlijk de ontluistering. Nu Sander zich aan de liefde overlevert, gaat voor Lodewijk de spanning ervan af, en als ze na twee jaar weer op Schiphol staan, scheiden zich hun wegen. Sander heeft het al meteen weer over reizen en leven, maar Lodewijk merkt dat zijn reislust en zijn dromen van het echte leven zijn verdampt. Hij maakt zich los van zijn verafgode liefde – onder tranen, maar onherroepelijk.

Adolescentenromantiek

Aangekomen bij dat slot verbaas je je hoe door en door bekend dit klinkt. Het hele boek volgt het sjabloon van de adolescentenromantiek als overgang van puberdromen naar de wereld der volwassenen. Het zet die overgang in vaste stappen neer, één stap per boekdeel, en mocht je dan nog niet raden waar dit heen gaat, dan vertelt de schrijver het gewoon hardop. Dat Lodewijks gevoelens van liefde `spoedig zouden tanen' staat al in de eerste zinnen van deel drie, als die gevoelens nog maar net beantwoord worden. Alles weet je al. Dus wat wil de roman nog zeggen? De onhuwbaren stelt vooral de vraag wat dat `echte leven' van de jonge helden waard is. Het getuigt van een bewonderenswaardige overgave aan de dingen, aan ontbering en genot. Maar het getuigt ook, merkt Lodewijk, van een verlangen altijd onderweg te blijven en je dus aan niets te hoeven binden. Het verlangen om je juist aan het leven te onttrekken.

Daarmee spat het droombeeld dat hij zich van Sander heeft gevormd uiteen. De bravoure van de jongen, dat demonische charisma, er blijft weinig meer van over dan de maskerade van een bluffer die voor alles wegvlucht, inclusief zichzelf, en dus uiteindelijk een lege dop is. `De geheimzinnigheid (–) waarin Sander zich had gehuld', denkt Lodewijk, `was naarmate ze elkaar beter hadden leren kennen, als een nevel opgetrokken zonder dat het ooit tot opmerkelijke onthullingen was gekomen.' Zo zijn de rollen aan het slot zo'n beetje omgedraaid. Juist Sander leeft in een cocon, juist Sander houdt zich van het leven ver, terwijl de wijs geworden Lodewijk besluit dat hij er mee moet leren omgaan als hij meer wil worden dan een lege dop. Hij moet zich er aan binden, er een vorm aan geven, en dat voert hem terug naar zijn oude liefde voor de letteren. Hij zal zich voortaan wijden aan het schrijven over wat hij in het leven heeft ontdekt.

Van die beslissing geeft De onhuwbaren een getrouwe uitwerking. De verteller heeft een scherp oog voor het alledaagse en ontnuchterende in het leven, je wordt steeds weer op de werkelijkheid gedrukt. Al leeft Lodewijk in het grootse en meeslepende New York, vermoeienis en geldnood zijn nog net zo miezerig als thuis. Al slaapt hij met zijn grote liefde, penetreren is de eerste keer een heel gedoe en eigenlijk alleen maar pijnlijk. Dit is het leven, leer je. Dit is waar je het mee moet doen en zie het onder ogen. Om je van die boodschap te doordringen geeft het boek je een overdaad aan alledaagse en prozaïsche details mee. Er passeert een stoet aan kennissen van Lodewijk en daar weer vrienden van, met wie Sander het ooit heeft gedaan, of juist niet. Er zijn beschrijvingen van iedere locatie en er is zelfs een geduldige uiteenzetting over oploskoffie en hoe die te zetten, met een kloppertje en melk. De wereld is er een van toeval, leegte en routine, en de verteller houdt je dat met provocerende hardnekkigheid voor.

Daarmee rijst alleen de vraag wat je er eigenlijk mee wint de dingen onder ogen te zien. De held en de verteller kunnen dat wel aanbevelen, maar het eigenaardige van de roman is dat je daar geen enkel voordeel mee lijkt te behalen. Waar je in verzeild raakt is een onbezielde wereld, schraal en rommelig. Hoe meer je ervan ziet, hoe minder je er in ziet. Dus je kunt wel besluiten dat je je eraan moet binden, maar waarom zou je?

Omdat je geen keuze hebt, misschien. Dat is althans de indruk die je krijgt wanneer je De onhuwbaren naast Melchiors eerdere werk legt, dat een heel andere keuze uitprobeerde. In De roeping van het vlees en de briljante roman Kasper Valentijn waren de helden ook al in de ban van een meedogenloze jongen. Maar zij bleven in die ban. Ze wentelden zich in de roes ervan, het zelfverlies, en gingen er ten slotte aan ten onder, in een lustmoord liefst, een mes van hun minnaar op de keel. Ze zochten niet het leven, maar de dood. Dat is een indrukwekkend thema, maar geen thema waar een schrijver oud mee wordt. Óf hij neemt er op den duur de consequentie van en gaat zijn helden achterna, óf hij vervalt in een koket vertoon van duistere driften. Melchior doet er dus op zijn minst verstandig aan zich eens te richten op de dagkant van de dingen. Hij dwingt zichzelf tot het noodzakelijke en zet dus zichzelf het mes nu op de keel. Maar dat betekent allerminst een blije levensaanvaarding, integendeel, het leidt tot een bevestiging van de gedachte dat het leven weinig blijs te bieden heeft, en daarmee zit de schrijver klem. Hij neemt zichzelf de uitvlucht van de doodsdrift af, maar krijgt er weinig nieuws voor terug en heeft dus weinig nieuws te zeggen. Hij staat met lege handen. Het intrigerende van de roman is dat Melchior zich dat bewust lijkt en met die impasse iets probeert te doen. Hij leeft met het geloof dat je alleen bij echte schrijvers vindt: de overtuiging dat de werkelijkheid getransformeerd kan worden tot iets anders en betekenisvollers door de vormkracht van de taal. Dat een literaire vorm geen vorm is maar juist inhoud, dat de dingen daarin pas gestalte krijgen en dat boeken in hun stijl dus niet alleen beschrijven maar ook scheppen. Stijl doet leven.

Hecht bouwwerk

Als er iets is dat De onhuwbaren bijzonder maakt, is het dan ook de stijl. Melchior schrijft uit de rots gehouwen zinnen, slingerend van komma naar komma om vaak na een kleine pagina pas uit te komen bij een punt. Ze rijgen feiten aan gedachten, geven tegenwerpingen en twijfels, maken soms een lange lus om iets dat met het onderwerp maar zijdelings verband houdt toch nog in de samenhang te vangen, en vervlechten alledaagse ditjes en datjes daarmee tot een hecht en vormvast weefsel. Dit hechte bouwwerk redt veel aan de roman dat anders slap en afgetrapt zou zijn. Het laadt de adolescentenromantiek op met het koele intellectuele vakmanschap dat domweg nodig is om ellenlange zinnen tot een goed einde te brengen. Het voorziet de scènes van een ietwat cerebrale toon, die afstand houdt en daarmee ruimte schept voor ironie en toch ook meegevoel met de karakters. Het geeft intensiteit aan sentimenten en gemeenplaatsen, geheel in de geest van die eerdere schepper van meedogenloze jongens, Gerard Reve.

Maar de stijl, blijkt als zo vaak, kan het uiteindelijk toch nooit helemaal alleen af. Als de zinnen zich aaneen blijven rijgen, 360 dichtbedrukte bladzijden lang, valt uit de lotgevallen van de personages meer en meer de spanning weg en dwaalt je aandacht af naar de abstracte spankracht van de zinsbuigingen zelf. Je rondt de bocht van een komma, zwiept langs een puntkomma, houdt in voor een punt, springt over naar een nieuwe alinea. De schoon heid van de syntaxis maakt zich los van het verhaal, de orde van de taal verandert in een spookorde, en je belandt ten slotte daar waar ook de schrijver zich klaarblijkelijk bevindt: in een totale, kale leegte.

Willem Melchior: De onhuwbaren. Atlas, 368 blz. ƒ49,90