Spanje krijgt `Aznar-economie'

De vele privatiseringen en fusies bezorgden in Spanje vele vrienden van premier Aznar topfuncties in het bedrijfsleven. Een bedenkelijke concentratie van macht, klaagt de oppositie. De regering stelt daar tegenover dat het `echte professionals' betreft.

Een raad van elf in het carnaval van de financiële macht. Elf vrienden van de minister-president, goed voor biljoenen peseta's, zeventig procent van de kapitalisatie op de beurs van Madrid.

In de campagne voor de landelijke verkiezingen in Spanje die komende zondag worden gehouden raakt de socialistische oppositie niet moe te verklaren dat de Spanjaarden een oor wordt aangenaaid door een nieuwe kliek aan economische mandarijnen. De golf aan privatiseringen, fusies en overnemingen die de afgelopen jaren over de Spaanse markt spoelde heeft tot een bedenkelijke machtsconcentratie geleid, zo luidt de boodschap. Bedenkelijk, omdat de macht in de nieuwe megabedrijven die de Spaanse economie bestieren in handen is van een hecht vriendenkliekje van de conservatieve premier José María Aznar. En bedenkelijk ook, omdat er van een werkelijk concurrentie vaak geen sprake is.

Met gepaste trots werd de afgelopen jaren gevierd dat menig Spaanse onderneming door privatiseringen, fusies en overnemingen weer een woordje mee kan spreken op Europees niveau. De banken Banco Central Hispano en Santander fuseerden tot de nieuwe kolos BSCH, op de voet gevolgd door de Banco Bilbao Vizcaya en de voormalige staatsbank Argentaria in BBVA. Het voormalige staatsbedrijf Telefónica groeide uit tot een van de machtigste telecommunicatie-bedrijven op het Zuid-Amerikaanse continent. Ex-staats sigarettenmaker Tabacalera fuseerde met de Franse collega's in de nieuwe tabaksproducent Altadis.

Het gevoel van trots dat Spanje weer een woordje meespreekt op internationaal terrein wordt niettemin door menigeen getemperd door nieuwe zorgen over dreigende machtsconcentraties in het bedrijfsleven. De vrije markt loopt gevaar, zo luidt het verkiezingsparool van de socialistische PSOE, en de hoofdschuldige is de conservatieve minderheidsregering en in het bijzonder premier Aznar.

In socialistische kring gaat daarbij de volgende grap de ronde. Als de gemiddelde Madrileen opstaat en het licht aan doet begint de electriciteitsmeter van het geprivatiseerde energiebedrijf Endesa te tikken. Endesa-bestuursvoorzitter is Rodolfo Martín Villa, politiek vrindje van Aznar. De auto naar het werk rijdt op benzine van het geprivatiseerde Repsol van de door Aznar benoemde bestuursvoorzitter Alfonso Cortina. Op kantoor volgt een telefoontje (Telefoníca, bestuursvoorzitter Juan Villalonga, schoolvriend van Aznar) om een ticket te bestellen bij Iberia (in proces van privatisering, bestuursvoorzitter Xavier de Irala, benoemd door Aznar). Voor de betaling kan worden gekozen uit de spaarbank Caja Madrid (president Miguel Blesa, oud-collega Aznar) en de nieuwe bankgigant BBVA die over twee jaar wordt voorgezeten door Francisco González, de door Aznar benoemde man die de staatsbank Argentaria naar de beurs bracht.

Van regeringswege wordt de kritiek niet ontkend maar de vrienden van Aznar zijn goede ondernemers, zo wordt gezegd. ,,Alle bestuursvoorzitters waren mensen afkomstig uit het bedrijfsleven. Professionals die in staat zijn de bedrijven in korte tijd om te zetten in multinationals'', verklaarde vice-premier Rodrigo Rato, die als minister van financiën en voormalig grootondernemer zelf een stevige vinger in de pap heeft gehad bij de benoemingen.

Moeilijker heeft de regering het evenwel met een ander argument van de oppositie: veel bedrijven zijn weliswaar geprivatiseerd, maar van een werkelijke concurrentie met de daarbij behorende prijsvorming is geen sprake. ,,Het is nodig dat de markten werkelijk geliberaliseerd worden'', aldus economisch woordvoerder en voormalig minister Juan Manuel Eguigaray. ,,De electriciteitsmarkt is volledig afgeschermd door twee ondernemingen, in olie en gas bepalen vier bedrijven de prijzen en in de telecommunicatemarkt wordt het lokale, niet mobiele telefoonverkeer nog steeds door Telefónica beheerst.''

De afgelopen vier jaar heeft de regering Aznar in totaal 43 staatsbedrijven naar de markt gebracht. Daarbij werd een bedrag van bijna 56 miljard gulden op de markt gebracht. De oppositie is niet van zins de privatisering terug te draaien of stop te zetten. Wel heeft oppositieleider Almunia een speciale belasting voorgesteld die de winst van de voormalige staatsbedrijven af moet romen. De extra inkomsten moeten worden gebruikt voor sociale uitgaven. Daarnaast heeft de partij aangekondigd het gebrek aan concurrentie aan te willen kaarten bij de betrokken instanties van de Europese Unie om zo de markten open te breken.

De wedijver wie zich straks als de meest liberale verdediger van de vrije markt op de borst mag slaan wordt onderwijl met gepast wantrouwen bekeken door vooral de jongere generatie Spanjaarden. Tot dusver werden niet alleen staatsbedrijven, maar ook banken, uitgevers en televisiestations immers schaamteloos ingezet in het schaakspel rond de politieke macht. Met het openbreken van de markten en de vorming van multinationale bedrijven komt hier wellicht een einde aan, zo luidt de hoop.

Het aardigste voorbeeld van dit laatste is wellicht beursfonds nummer een, Telefónica. Onder leiding van de flamboyante Juan Villalonga,tennisvriend van premier Aznar, maakt het telecommunicatiebedrijf de afgelopen jaren een wilde tijd door. Menig analist heeft zo zijn bedenkingen bij de snel wisselende allianties en strategieën die door Villalonga werden doorgevoerd. De bestuursvoorzitter bedeelde zichzelf en honderd andere topmanagers bovendien nog eens met een extra bonus van 400 miljoen gulden in de vorm van stock-opties, een zaak waar tot aan de Spaanse bisschoppen-vergadering schande over werd gesproken. Maar Telefónica draait dapper mee in de algehele euforie op het gebied van de telecommunicatie en wist de afgelopen twee jaar zijn beurswaarde meer dan te verdubbelen.

Dit is het vijfde deel uit een serie. De vorige artikelen verschenen op 1, 8, 15 en 22 februari.