Schilderij Liebermann naar erven

Het schilderij Duinen bij Noordwijk van Max Liebermann (1847-1935), in bruikleen bij het Groninger Museum, gaat terug naar de erfgenamen van de Duits-joodse weduwe Elsbeth Zoellner, die in 1938 voor de nazi's naar Nederland vluchtte.

Het Groninger Museum heeft gisteren bekendgemaakt dat het schilderij ,,uit morele overwegingen en zonder juridische omwegen'' wordt teruggegeven. Tot nu toe stelden musea en overheden zich op het standpunt dat de rechter een uitspraak moest doen over teruggave van kunstwerken aan de oorspronkelijke, veelal joodse eigenaren.

De meeste andere stukken uit de grote collectie van mevrouw Zoellner – die tussen 1938 en 1940 in Nederland woonde en vervolgens naar Amerika vluchtte – zijn hier verdwenen, mede door toedoen van een onbetrouwbare relatie van haar in Nederland. Het gaat daarbij om schilderijen van onder anderen Ferdinand Hodler (1853-1918), Max Slevogt (1868-1932), 17de eeuwse werken, zoals een Ruysdael en Teniers, en ook om meubelstukken, porselein en tapijten. Sinds 1947 wisten Nederlandse instanties dat de familie onder meer naar het doek van Liebermann op zoek was.

Dit blijkt uit een recent onderzoek van Eelke Muller van de Inspectie Cultuurbezit, ingesteld nadat het Groninger Museum recentelijk de onduidelijke herkomst van de Liebermann ter sprake bracht.

Het schilderij (49 bij 60 cm) uit 1906 dook even na de bevrijding op in een kleine kunsthandel in Groningen. H.J.H Nauta, toen burgemeester van het nabijgelegen Haren, kocht het aan, vermoedde meteen dat er iets mis was en leverde het kort daarna af bij de politie om de eigenaar te laten opsporen. Het lag daar vijf jaar opgeslagen, voordat het in 1950 werd afgestaan aan het Groninger Museum.

Zowel de gemeente Groningen, de eigenaar, het museum als een zoon van Nauta willen het doek ,,uit morele overwegingen'' teruggeven aan de dochter en zoon van Zoellner, die in New York respectievelijk Chili worden opgespoord.

Elsbeth Zoellner stond voor haar vlucht in 1940 uit Nederland naar Amerika een deel van haar collectie in bruikleen af aan het Haags Gemeentemuseum. Vele andere werken gaf zij in opslag bij een bevriende, Duitse relatie, met een expeditie-bedrijf in Amsterdam. Die haalde in 1941 op Zoellners verzoek ook alle bruiklenen weer op bij het Haags Gemeentemuseum om ze te verzenden naar Amerika. Dat laatste is niet gebeurd. Zoellners precieze instructies om delen van haar collectie op te slaan, dan wel te verzenden of te verkopen, werden moedwillig niet opgevolgd.

Wat de expediteur met de opbrengst uit verkoop deed is grotendeels onduidelijk gebleven, evenals de verblijfplaats van vele werken uit de verzameling, waarvoor Zoellner later vergeefs een beroep heeft gedaan op instanties hier. Na de oorlog werd de expediteur gedwongen Nederland te verlaten.

Op de vraag waarom deze Liebermann nu pas kan worden teruggegeven, zegt onderzoekster Muller dat al die decennia ,,instanties hun informatie niet naast elkaar hebben gelegd''. Het Groninger Museum bracht de onduidelijke herkomst pas ter sprake nadat de nazi-roofkunst een paar jaar geleden aandacht van de media kreeg.