``Russell wijst op de christelijke hypocrisie'

``Why I am Not a Christian van Bertrand Russell las ik voor het eerst tijdens mijn studententijd' zegt advocaat Gerard Spong op zijn kantoor in Den Haag. ``Ik was eenentwintig jaar en studeerde rechten, nadat ik eerst een jaar politieke en sociale wetenschappen had gedaan. Het boek maakte meteen een verpletterende indruk op me. Vooral de eerste zestig pagina's, waarin Russell uitlegt wat er allemaal niet deugt aan het christendom.'

Gerard Spong (53) is een van de bekendste advocaten van Nederland. Bovendien is hij al vijf jaar achtereen door zijn confrères tot de beste strafpleiter van Nederland verkozen. Na vijfentwintig jaar werkzaam te zijn geweest bij advocatenkantoor Wladimiroff en Spong, begint hij per 1 april een eigen kantoor op de Herengracht in Amsterdam. Momenteel is hij onder meer bezig met een tweetal grote drugszaken en met de verdediging van ex-rechercheur J. van Vondel, die ervan wordt beschuldigd bij de verhoren van de IRT-enquête meineed te hebben gepleegd.

Spong: ``Ik ben hervormd opgevoed, maar al in mijn tienertijd in Oegstgeest had ik een aantal ervaringen die me over het geloof aan het denken hebben gezet. In 1967 ging ik studeren in Amsterdam en dat was ook niet de meest ideale voedingsbodem voor de ontwikkeling van het geloof. Het was een roerige periode, maatschappelijk gezien en in het studentenleven. Ook was het een periode waarin ik me begon te interesseren voor filosofie. Ik ben toen op Why I am Not a Christian gestuit, en dat boek heeft eigenlijk de beweging versneld die al vanaf Oegstgeest in mij was gevaren. Het boek werkte als een soort katalysator. Ik zag een hoop bevestigd van wat ik zelf steeds al had gedacht en gevoeld, en meneer Russell had het ook nog eens prachtig op papier gezet.'

``Na Russell ben ik overgestapt op zijn leerling, Ludwig Wittgenstein. Die appelleerde ook aan een aantal denkbeelden die ik in embryonale toestand had gevormd. Wittgenstein is in de Tractatus veel nihilistischer dan Russell en dat sprak mij wel aan. Hij is de eerste geweest die gezegd heeft, dat de vraag naar de zin van het leven onzinnig is, omdat die vraag niet te beantwoorden is. Dat vond ik een eye-opener, die ik tot dusverre met me heb meegedragen. Het scheelt een hoop getob.'

Voor een aantal mensen is het misschien een verrassing dat een advocaat zich ook voor filosofie interesseert. ``Het is een vrij benepen opvatting om te denken dat een advocaat geen interesse zou hebben in levensbeschouwelijke vraagstukken. Het is hetzelfde als men zou denken dat de groenteboer die niet heeft. Advocaten worden traditioneel afgeschilderd – denkt u aan die prachtige schetsen van Daumier – als gewetenloze roofvogels, die ieder standpunt kunnen verdedigen, hoe immoreel het ook is. Maar dat vind ik juist een hele grote kwaliteit, dat je ieder standpunt kunt verdedigen. Ik kan mijn vak heel goed uitoefenen zonder mijn eigen levensbeschouwing op de voorgrond te stellen. Met behoud van mijn persoonlijke opvattingen kan ik een moordenaar of een drugshandelaar best verdedigen.'

Een rode draad in zijn leven en carrière, zegt Spong, vormen zijn pogingen om de hypocrisie van bepaalde christelijke normen en waarden aan de kaak te stellen. ``Russell wijst in zijn boek op de hypocrisie van de meeste christenen, de enorme kloof tussen hun principes en de praktijk. Daar ben ik het mee eens. Christenen prediken dat je je naaste lief moet hebben, maar zijn zo intolerant als de pest als het gaat om andersdenkenden. Of denk aan de seksuele moraal. Als het lichaam van God gegeven is en als het de bedoeling zou zijn om daar zoveel mogelijk van te kunnen genieten, dan staat dat haaks op het in de praktijk gebrachte uitgangspunt om driekwart van alle seksuele geneugten in de verdomhoek te stoppen.'

``Die hypocrisie blijkt bijvoorbeeld ook bij de norm dat je eerbied moet hebben voor het leven, en de daarmee gepaard gaande discussies over euthanasie en abortus. Als je zegt dat je eerbied hebt voor het leven, dan kan dat betekenen dat je in bepaalde gevallen tot euthanasie moet besluiten. Terwijl dat door de katholieke kerk verboden wordt. De ontwikkeling in de wetgeving op het punt van euthanasie is overigens, over de relatie tussen levensbeschouwing en strafadvocatuur gesproken, toch een verdienste geweest van een paar moedige artsen en een paar vasthoudende advocaten. Het zijn dokter Schoonheim, Eugène Sutorius en ik geweest die dat in 1985 bevochten hebben bij de Hoge Raad.'

``Wat de christelijke leiders er in de praktijk van gemaakt hebben, heeft bij mij een hoop scepsis en kritiek teweeggebracht. Tot mijn verbazing en verheugenis las ik in de krant dat de paus zijn excuses gaat aanbieden voor de 2000 jaar onheil die de kerk heeft gebracht: kruistochten, verbrandingen van ketters, vijandigheid jegens joden. Op het lijstje vond ik één punt opmerkelijk ontbreken: de houding van de kerk ten opzichte van de slavernij. Russell schrijft terecht dat de christelijke kerk niets heeft gedaan aan de afschaffing van de slavernij. De kerk was zelfs tegen afschaffing, terwijl ze als geen ander heeft geweten wat een afschuwelijke zaak de slavernij was. Als je beseft dat er in de slavernij naar schatting ongeveer tachtig miljoen zwarten zijn omgebracht, een veelvoud van het aantal joodse slachtoffers in de Tweede Wereldoorlog, dan is het standpunt van de kerk buitengewoon griezelig.'

Kunnen de wet en de rechtsspraak zonder de christelijke moraal? ``Veel rechtsregels vinden hun oorsprong in de christelijke moraal. In het vellen van een oordeel, met name als het gaat om het in de strafmaat tot uitdrukking brengen van de strafwaardigheid van het betrokken gedrag, zit vaak een zeker christelijk venijn besloten. Je ziet het vooral bij euthanasiezaken en vroeger bij abortus- en pornografiezaken. Een rechter opereert binnen het stramien van de wet, maar dat laat hem toch een grote mate van vrijheid om zijn levensbeschouwelijke overtuiging, in de meeste gevallen gevoed door de christelijke normenstelling, tot uitdrukking te brengen in de hoogte van de strafmaat.'

``Een rechter is natuurlijk ook een mens en is net als ieder ander opgevoed met een aantal normen en waarden. Het zou mooi zijn als je van een rechter kon verlangen dat hij zich heel goed bewust is van de wijze waarop zijn normen en vooroordelen in de loop der tijd tot stand zijn gekomen. Het feit dat ik niet gelovig ben, betekent evenwel niet dat ik elke christelijke norm of waarde afwijs, alleen die waarvan onnodig leed of een inbreuk op de persoonlijke vrijheid het gevolg is.'

Bertrand Russell: Why I am Not a Christian (1957). Opgenomen in: Russell on religion. Routledge Ltd, 261 blz. ƒ57,65