Ouder worden met open oren

De klassieke jazzliefhebber heeft het moeilijk. De oude idolen – verslaafd, ongeschoold en noodgedwongen jazz en blues makend – maken plaats voor professionals die ook best klassiek of salsa willen spelen. Drie boeken over muziek en nostalgie.

`The future of the jazz lies in the past' zei Wynton Marsalis begin jaren negentig. Met zijn uitspraak onderstreepte de getalenteerde trompettist in elk geval zijn eigen richting. Want na even `in' de akoestische Miles Davis te zijn geweest zocht hij het al snel in een nog verder verleden. De oude jazz van Louis Armstrong en andere pioniers verdient volgens Marsalis net zo'n respectvolle uitvoeringspraktijk als de klassieke muziek. Waar zo'n opvatting toe kan leiden bleek in juni vorig jaar bij een Duke Ellington-herdenking: drie bijna uitverkochte avonden in het Amsterdamse Concertgebouw voor zijn Lincoln Center Jazz Orchestra waarvan één samen met het Concertgebouworkest.

De vraag Haalt de jazz de eenentwintigste eeuw?, de titel van een essaybundel van J. Bernlef, was daarmee feitelijk al beantwoord. Ook dit jaar zal er op tal van plaatsen jazzmuziek te horen zijn, ook in het Concertgebouw. Omdat Bernlef dit ook wel weet zou men zijn vraag kunnen opvatten als een vrolijk bedoelde provocatie. Het titel-essay ademt echter eerder de geschoktheid van een fan die zich van zijn jeugd beroofd voelt. Over een concert van de Zweedse pianist Staffan Nilsson schrijft Bernlef: `In mijzelf mompelend liep ik de straat op. Waarom laat je je met deze vuiligheid in? Het was (...) net porno, het tonen van vals bloot, het opblazen van wat ooit, eens, in een ver verleden echte emoties waren geweest, nu verworden tot plichtmatige herhaling die niets met muziek maken van doen had. In Göteborg besloot ik dat het wat mij betreft afgelopen was met de jazz.'

Omdat dit essay uit 1998 aan het eind van de bundel staat, denk je dat dit Bernlefs laatste woord over jazz is, maar er staat één recenter stuk in. Na een intro over een spreker met een stottertic en de reacties daarop van luisteraars beschrijft Bernlef daarin de muziek van componist/jazzpianist Guus Janssen. Ook diens muziek zit namelijk vol stotteringen. Omdat deze echter verwerkt zijn in een vooraf doordacht (gecomponeerd) betoog, betekent Bernlefs bewondering voor deze pianist niet dat hij terug is bij de jazz. Zelfs als Janssen improviseert, bijvoorbeeld tijdens een concert in het Bimhuis, blijft diens spel `ver verwijderd van dat van de meeste jazzpianisten'. Janssen ja, jazz niet meer.

Riedeltje

De jazzgerichte stukken in deze bundel, voor een deel eerder verschenen in de Volkskrant en het maandblad Jazz Nu gaan onder andere over saxofonist Charlie Parker (een quasi-interview), de pianisten Bud Powell, Bill Evans en Misha Mengelberg en de Amerikaanse criticus Whitney Balliett. De laatste noemde de jazz eens `The Sound of Surprise' maar die omschrijving is achterhaald. Althans zo ervaart Bernlef het in navolging van de Amerikaan Francis Davis in diens bundel Bebop and nothingness - Jazz and Pop at the End of the Century.

Dat Bernlef door de bulk van de jonge jazzmusici niet verrast wordt, is begrijpelijk. Hij heeft bijna alle groten uit de honderdjarige geschiedenis van deze muzieksoort gehoord, live of op de plaat. Waarom zou hij dus opkijken van Knut Knudsen die zo aardig in de trant van Thelonious Monk kan spelen en de zoveelste Charlie Parker-imitator? Voor ingewijden in andere muzikale genres ligt het trouwens niet anders; wie de Beatles kent, kijkt niet op van Oasis en operakenners zijn skeptisch bij elke sopraan die zich `even' met Maria Callas denkt te kunnen meten.

Maar ook diepe emoties spelen een rol. Voor jazzliefhebbers van boven de vijftig is het moeilijk te aanvaarden dat het jazztype van vroeger – ik ben ongeschoold, zwart en verslaafd, dus maak ik noodgedwongen jazz en blues – aan het uitsterven is. En is opgevolgd door een ander slag musici: goed opgeleide, vooral blanke allrounders die in alle nuchterheid kunnen kiezen. Vandaag jazz, morgen salsa en aan het eind van de week misschien een stukje klassiek voor een sponsor met meer geld dan gevoel. En, oh ja, ook nog een riedeltje voor een popclip, geproduceerd door god mag weten welk bedrijf.

Met een gemankeerd genie kun je je, zeker als je jong bent, hartstochtelijk identificeren, waar wat moet je als ouder mens met jonge vogels die elke dag hun veren verwisselen? De intieme, bijna geheime, club van musici en fans die vroeger bestond is uit elkaar gevallen en vervangen door een wisselende scène van tijdelijke engagementen. Trompettist Dave Douglas, pianist Uri Caine, gitarist Bill Frisell, rietblazer Louis Sclavis en andere musici met talent maken soms fantastische jazz, maar dat garandeert de liefhebber niets. Want morgen spelen ze even goed Stravinsky en Mahler of laten ze zich verleiden door de geest van Zappa of het impresariaat van cellist Yo-Yo Ma.

Rook en bier

Wat in het titelessay geponeerd wordt als het probleem van de jazz – het uiteenvallen in twee werelden met aan de ene kant duffe reproductie en aan de andere het klassiekerige experiment waar geen hond naar luistert – lijkt dan ook eerder Bernlefs eigen probleem: hij is nogal in de war omdat hij zijn jazzhonk is kwijtgeraakt. `Als de jazz er niet in slaagt de relatie met de dans te herstellen zal hij de marginale muziek blijven die hij nu is en tenslotte aan bloedarmoede te gronde gaan' schrijft hij.

Of Bernlef op die reddende dans zit te wachten is de vraag. Er wordt tegenwoordig heel wat gejazzdanced, met name in De Melkweg, Paradiso en Meander, maar in de bundel geen woord daarover. Ook dat is begrijpelijk: in een luie stoel luisteren naar reproducties, hoe bloedeloos ook, is voor een wat oudere heer comfortabeler dan in een volgepropte zaal vol rook en bier te moeten staan. In de misschien wel ijdele hoop dat er tussen drammende bassen en loeiende gitaren misschien een intrigerend stukje improvisatie opduikt.

Bernlef leverde ook bijdragen aan Bimhuis 25, Stories of twenty five years at the Bimhuis. De opzet van dit herdenkingsboek – laat de deelnemers het verhaal vertellen – is duidelijk geleend van Hear me talkin' to ya van Shapiro en Hentoff uit 1955. Maar anders dan in dit inmiddels klassieke werk is het materiaal in dit Bimboek niet thematisch gerangschikt en zelfs niet in hoofdstukken ondergebracht. Nog frusterender is het ontbreken van een index. Om de verspreide bijdragen van Bernlef en de 136 anderen, van schoonmaker tot programmeur, van krabbelaar tot topmuzikant te achterhalen, moet het hele boek worden uitgekamd. Er staan wel lijstjes met namen en platen achterin maar die zijn `not intended to be complete' of `sketchy'.

In het Engels dus, zoals alles in dit boek, met uitzondering van één zin die – men kan het raden – afkomstig is van saxofonist Hans Dulfer: `Zou je na al die jaren, niet beter eens een cursus Nederlands kunnen gaan volgen dan een boek schrijven over een instituut dat al twintig jaar muzikaal en maatschappelijk stil staat.' Deze opmerking geldt samensteller Kevin Whitehead, de Amerikaanse journalist aan wie Dulfer ook al zijn tanden had laten zien toen die werkte aan New Dutch Jazz dat in 1998 verscheen. `You're interviewing me, but I'm not part of Dutch jazz history' zegt de saxofonist in dat boek. `Typical Dulfer', luidt het commentaar van Whitehead.

Door het gebrek aan ordening leent het Bimboek zich vooral voor plaatjes kijken; ook is goed te zien hoeveel er sinds 1974 is veranderd, al was het maar in de kleding. Candy Dulfer als kind in een hippie-jurk naast een papa met lange haren en een broek met uitlopende pijpen, toetsenspeler Sun Ra in een enorme kazuivel van luipaardacryl, Bimhuis-programmeur Huub van Riel in een kek wit pak en schoenen met blokhakken, trompettist Chet Baker met nog hogere hakken en in een visgraat-colbert, ongetwijfeld geleend van een barmhartige fan.

Een boek met foto's uit de tijd dat de Nederlandse jazz zichzelf nog niet ontdekt en ontvoogd had is One Night Stand, Jazzconcerten in Nederland 1947-1967, samengesteld door fotograaf en ex-concert-organisator Jaap van de Klomp. Na een voorwoord van Bert Vuijsje, met een even hoog vroeger-was-het-spannender-gehalte als de bundel van Bernlef, volgt een chronologisch verslag van twintig jaar jazzmuziek in Nederland, toen nog een puur Amerikaans product. Met koele feiten omtrent wie, wat en waar en warme foto's van fotografen met naam: Ed van der Elsken, Cas Oorthuys, Eddy Posthuma de Boer en Pieter Boersma. Met als onderwerp beroemdheden als Ella Fitzgerald, Duke Ellington, Louis Armstrong, Miles Davis en Billie Holiday. Maar ook met minder bekenden: Bobby Jaspar gefotografeerd door Peter Verbruggen en Phineas Newborn door Frank Appelman. De meeste musici zijn dood en ook een aantal fotografen, maar dat hoort bij herdenkingsboeken.

Ligt de toekomst van de jazz in het verleden? Wat het Nederlandse drukwerk betreft lijkt het in elk geval zo; nog nooit is er hier in zo'n korte tijd zoveel over jazz van toen verschenen. Ook de dissertatie Ongewenschte Muziek van Kees C.A.T.M Wouters, die hier eerder werd besproken, past in deze trend. Maar eigenlijk is dat retro-gedoe helemaal niks bijzonders, het geldt ook voor de klassieke- en zelfs rockmuziek. Naast Bach en Mozart, Presley en de Beatles doen ook Armstrong en Ellington het beter dan ooit. Nederland vergrijst en ouderen krijgen steeds meer te besteden. Dat de markt daar `creatief op inspeelt' vloeit voort uit de ervaring dat het maar weinigen gegeven is oud te worden met de oren open.

J.Bernlef: Haalt de jazz de eenentwintigste eeuw?

Querido, 143 blz. ƒ36,50

Kevin Whitehead (ed): Bimhuis 25. Stories of twentyfive years at the Bimhuis. Bimhuis, 214 blz. ƒ39,-

Jaap van de Klomp (ed):

One Night Stand. Jazzconcerten in Nederland 1947-1967.

Windroos, 96 blz. ƒ39,90

Muziek