Oud speelt nieuw en nieuw speelt oud

Nieuwe initiatieven doorbreken de gevestigde verhoudingen in de klassieke muziek en ondergraven een groot deel van de vertrouwde terminologie waarmee muzieksoorten en stijlopvattingen worden aangeduid. Dirigenten die tot voor kort waren gespecialiseerd in een scherp afgelijnd repertoiregebied, verbreden hun belangstelling en brengen opeens andere muziek ten gehore. Orkesten die zijn opgericht voor 18de eeuwse barokmuziek spelen tegenwoordig 19de en 20ste eeuwse muziek. Aan het begin van een nieuwe eeuw worden oude grenzen overschreden en te benauwe hokjes opengebroken. De vroeger zo streng gescheiden werelden van de `oude muziek' en het `eigentijdse componeren' overlappen nu elkaar zelfs in een experimentele sfeer van wederzijdse beïnvloeding. De liberale sfeer van cross-over, waarbij alles in elkaar overloopt in tegengestelde bewegingen, heerst nu ook binnen de klassieke muziek. `Klassieke muziek' lijkt daarmee zelfs een verouderde term met een dubieuze inhoud.

Een dirigent als Philippe Herreweghe, beroemd geworden met zijn `authentieke' Bach, beweegt zich snel voorwaarts door de muziekgeschiedenis. Hij komt met zijn Bruckner- en Mahleruitvoeringen op het terrein van Riccardo Chailly. Die heeft nu juist Bach op zijn repertoire genomen bij het Koninklijk Concertgebouworkest, dat speelt op `modern instrumentarium'. Herreweghe dirigeert tegenwoordig zijn op `authentieke' instrumenten spelende Orchestre des Champs Elysées graag in laat-19de eeuwse muziek. Morgen klinkt in het Amsterdamse Concertgebouw muziek van Saint-Saëns, Franck en Debussy. In het volgende seizoen staat daar de 19de eeuwer Brahms op het programma: de Eerste serenade en Vierde symfonie.

Beide concerten van Herreweghe worden gegeven in de serie `Wereldberoemde barokorkesten'. `Barok' blijkt dus niet langer een repertoire-aanduiding. Debussy's Prélude à l'après-midi d'un faune, door Herreweghe gedirigeerd, dateert uit 1894, zo'n anderhalve eeuw na de barokperiode in de muziek.

Chailly was totnutoe vooral een man van deze tijd. Hij brengt graag moderne muziek ten gehore. En in sommige laat-negentiende eeuwse muziek, zoals van Bruckner, wil Chailly de avantgardistische voorboden van de 20ste eeuw horen en aan zijn publiek doorgeven. Mozart was zo ongeveer de oudste componist van wie hij werk dirigeerde. Maar vorig jaar hoorde Amsterdam Chailly's Matthäus Passion. Het was de eerste keer in veertig jaar dat een chef-dirigent dit voor het Concertgebouworkest zo traditionele werk dirigeerde. Dit seizoen klonk bij het Concertgebouworkest onder leiding van Chailly Bachs Eerste suite.

Een `moderne' dirigent als Chailly is begonnen aan het heroveren van het ijzeren repertoire dat het reguliere symfonieorkest de afgelopen decennia definitief leek te zijn ontnomen. Volgens de `authentieke' richting was het immers allemaal vals en leugenachtig, wat het symfonieorkest liet horen in muziek van Bach en Händel, maar ook in Beethoven, Schubert, Mendelssohn en Schumann. Het hedendaagse instrumentarium leverde daarvoor immers niet de juiste klank, de uitvoeringsstijl van het massaal bezette orkest was te glad en spotte met de bedoelingen van de componist. Haitink dirigeerde in zijn vroege jaren nog wel Bach, maar na 1974 nooit meer. Een Matthäus Passion leidde hij nooit, dat liet hij over aan `specialisten', zoals Nikolaus Harnoncourt.

Maar hoe gespecialiseerd was Harnoncourt eigenlijk? De Weense dirigent en cellist veroorzaakte rond 1970 veel opzien met zijn `authentieke' orkestje Concentus Musicus Wien. Maar wereldberoemd werd hij toch vooral door met `moderne' orkesten – vooral het Concertgebouworkest – een quasi-`authentieke' uitvoeringswijze te praktizeren. De verworvenheden van de `authentieke' muziekbeoefening werden gerealiseerd met eigentijdse middelen.

Na Bach gebeurde dat met Mozart en tegenwoordig dirigeert Harnoncourt Bruckner en Verdi's Aida. Andere `authentieke' dirigenten, zoals Frans Brüggen en Ton Koopman, volgen hen daarin en hebben hun oude strenge principes laten varen. Vroeger was het onvoorstelbaar dat Ton Koopman bij een Bach-Passion voor het Concertgebouworkest zou staan. Hij deed dat inmiddels drie keer, Frans Brüggen twee keer. Koopman dirigeerde Schubert bij het `moderne' Radio Kamer Orkest, Frans Brüggen speelde met zijn Orkest van de Achttiende Eeuw 20ste eeuwse muziek van Strawinsky, al was dat de Strawinsky uit zijn neo-klassieke periode. Een dirigent als John Eliot Gardiner omarmt het repertoire van vier eeuwen: van Monteverdi (rond 1600), via Bach, Mozart, Beethoven en Berlioz, tot de eigentijdse muziek.

De `authentieke' beweging heeft zijn nut gehad. De normen en waarden in het musiceren zijn sterk opgeschroefd. Ook `moderne' dirigenten en orkesten met `hedendaags instrumentarium' (in feite uit de late 19de eeuw) baseren zich nu veelal op musicologisch en historisch onderzoek. De `authentiekelingen' hebben niet meer het alleenrecht op serieus musiceren. Wanneer Chailly Mahlers liederencyclus Des Knaben Wunderhorn dirigeert, neemt hij daarvoor de gereviseerde, en nu originele versie. Ook vrij recente muziek, zoals het complete oeuvre van Varèse (1885-1965), kreeg van Chailly bij het Concertgebouworkest en het Asko Ensemble een `authentieke' behandeling.

Hartmut Haenchen haalde voor zijn uitvoering van Wagners Der Ring des Nibelungen bij de Nederlandse Opera persoonlijk 100.000 fouten uit de orkestpartituur. Chailly en Haenchen oriënteren zich ook op de uitvoeringstraditie. Chailly bestudeert de partituren waarin Mengelberg tal van aantekening maakte. Haenchen luistert naar oude opnamen, levert er bij inleidingen commentaar op en legt uit waarom hij tot zijn interpretatie komt.

Dankzij die cross-over wordt het muziekleven een stuk interessanter en kunnen we luisteren naar allerlei verschillen in uitvoeringswijze en interpretatie.