Op woorden moet je kunnen kauwen

Ilja Pfeijffer trok in zijn debuutbundel van leer tegen `typisch Hollandse stille-binnenwatertjespoëzie'. Nu is er zijn eigenwijze literatuurgeschiedenis van de oudheid.

Hoe graag hij het ook zou willen, Ilja Leonard Pfeijffer is niet de bekendste dichter van Nederland. Toch behaalde hij in januari een trotse negende plaats bij de verkiezingen voor de Dichter des Vaderlands, achter grootheden als Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Remco Campert en Jean Pierre Rawie. Niet doordat de Nederlandse poëzielezers zich de `in roomboter gebakken beelden en verzen met boulemie' uit zijn debuutbundel Van de vierkante man (1998) zo goed herinnerden, maar doordat hij actief campagne had gevoerd.

,,Ik heb iedereen die ik kende gemobiliseerd', bekent de 31-jarige `postdoc' Oud-Grieks in zijn met klassieke literatuur gestoffeerde studiehok aan de Leidse universiteit. ,,Per e-mail heb ik een soort verkiezingsprogramma rondgestuurd dat werd opgepikt door het universiteitsblad Mare. De redactie maakte reclame voor me, ook al omdat ze net als ik wilde voorkomen dat Rawie de Dichter des Vaderlands zou worden. Maar nog belangrijker was de steun van een bevriende Lucebert-kenner in Utrecht; hij wierf een flink aantal stemmen onder collega-Neerlandici, genoeg om me hoog te laten eindigen. Ik heb hem nu benoemd tot mijn officiële campagneleider voor over vijf jaar.

,,Het Dichterschap des Vaderlands zou een prachtige gelegenheid zijn om het heersende beeld van de poëzie bij te stellen, om duidelijk te maken dat er ook nog andere gedichten zijn dan die waarmee de Top Tien van favoriete Nederlandse gedichten vol staat: brave, liefst vormvaste verzen die boven alles toegankelijk zijn. Je kon al voorspellen dat Kopland hoge ogen zou gooien. Begrijp me goed, hij is een achtenswaardig dichter; abstract én toegankelijk, maar op het niveau van de taal valt er weinig aan hem te beleven. Op woorden moet je kunnen kauwen, gewone spreektaal is er al genoeg. Koplands gedichten zijn ook zo integer. En er is niets zo saai als integriteit; die leidt alleen maar tot typisch Hollandse stille-binnenwatertjespoëzie waarin gesuggereerd wordt dat je `er' eigenlijk niets over kunt zeggen. Doe dat dan ook niet, is mijn suggestie.'

Pfeijffers `grote held' is Lucebert. Net als de Keizer der Vijftigers schrijft hij `proefondervindelijke poëzie': vrije verzen, zonder hoofdletters en met weinig interpunctie, waarin ongebruikelijke woorden, verrassende enjambementen en barokke allitteraties het plastische karakter van de taal versterken. ,,Ik ben niet bang om lezers af te schrikken', zegt Pfeijffer; ,,wie het niet leuk vindt, legt de bundel maar weg.' Sommige gedichten in Van de vierkante man, dat vorig jaar bekroond werd met de Buddingh'-prijs voor nieuwe poëzie, moet je een paar keer lezen, maar onbegrijpelijk zijn ze zelden. Pfeijffer polemiseert met bloedeloze dichters die zich specialiseren in `vegetarische stilleventjes geschetst met de zilverstift'. Hij dicht over een uitgebluste leraar Grieks (`die nu met loepjesoogjes oude passie decodeert'), maar ook, in `Sjonnieboy', over het zinloos geweld van een oversekste proleet. Over massatoerisme en over snelle reclamejongens, maar vooral over de liefde, zoals in de roerende Gorter-variatie `Dan was ik het liedeken schoon'. Pfeijffers sterkste punten zijn humor en afwisseling; hij houdt ervan om in zijn gedichten telkens andere sprekers aan het woord te laten. ,,Ik wil niet zomaar de spreektaal benaderen', zegt hij. ,,Ik wil de lezer bij elk gedicht opnieuw leren lezen.'

Dwaas

Van leren lezen heeft Ilja Pfeijffer zijn beroep gemaakt. Op advies van zijn vader, een neerlandicus gespecialiseerd in Middelnederlands, ging hij na zijn eindexamen een dode taal studeren (,,onder het motto: iedere dwaas kan een stuk schrijven over Mulisch, dus je kunt maar beter een vak leren'). Pfeijffer werd filoloog en promoveerde twee jaar geleden op een dik boek met commentaar bij drie oden van de Griekse dichter Pindarus (518-438 vC). Het voorwoord bij zijn proefschrift begon hij met een zin uit Bluff Your Way in the Classics, waarin Pindarus werd omschreven als `bijna onvertaalbaar, meestal onbegrijpelijk, altijd onverklaarbaar maar jammer genoeg wel de grootste onder de Griekse lyrische dichters'. In De Antieken, een literatuurgeschiedenis die hij ter gelegenheid van de Klassieke Boekenweek schreef, herhaalt Pfeijffer dit citaat en noemt hij de Thebaanse sportlyricus `het voorbeeld voor dichters die zich afzetten tegen de classicistische poëzietraditie.'

Pfeijffer: ,,Pindarus vernieuwde de taal terwijl hij dichtte, hij had een eigen idioom en dat maakt het voor ons zo moeilijk om hem te lezen. Voor mij was dat juist de uitdaging. Bovendien loopt er een duidelijke lijn van Pindarus naar Lucebert, via Hölderlin die Pindarus woord voor woord in het Duits probeerde te vertalen; met dat `nieuwe' Duits schreef hij dan weer oden, die grote invloed hadden op Lucebert.

,,De taal onderwerpen aan het experiment, dat is ook mijn doel. Daarin verschil ik van de meeste andere jonge dichters die onlangs door Ruben van Gogh op een hoop werden gegooid in zijn bloemlezing Sprong naar de sterren. Performers als Hagar Peeters, Ingmar Heytze, Serge van Duijnhoven en Van Gogh zelf streven naar directe toegankelijkheid. Zij schrijven wat op het podium het best tot zijn recht komt: iets grappigs, iets met een clou. Als je hun gedichten op papier leest, is de lol eraf; je ontdekt geen nieuwe dingen. Ik ben niet tevreden over een gedicht als je het in één keer kunt doorgronden, en de thema's uit het programmatische voorwoord van Van Gogh – `gebeurende poëzie', `ruimtereizen', `het postindustriële landschap' – zeggen me niets. Ik voel me eigenlijk door hem en zijn Utrechtse collega's geannexeerd.'

Toen Pfeijffer tijdens het laatste Poetry International-festival de Buddingh'-prijs kreeg uitgereikt en hem gevraagd werd naar zijn verwanten in de poëzie, omschreef hij zichzelf als een eenzame cowboy zonder vrees of blaam. Maar met zijn lange golvende haar, zijn snor en vrouwentreiteraar (sikje) en zijn embonpoint lijkt hij meer op een musketier. Een die bij voorkeur alleen opereert, net als de `wachter' in zijn gelijknamige gedicht (`een ergerend man met een woordenschat' die zijn `neekop neekop en nog eens neekop' schudt), maar die niet buiten de wereld staat. In het echte leven was Pfeijffer redacteur van het literaire tijdschrift Maatstaf gedurende de laatste maanden dat het bestond (,,ik heb er zoveel mogelijk gedichten van mezelf ingezet, je zou kunnen zeggen dat ik Maatstaf om zeep heb geholpen'). In zijn gedichten grossiert hij in verwijzingen naar de moderne tijd, van Bambi tot Rambo en van Björn & Benny tot de Beegees.

Olympische Spelen

Pfeijffer is niet bang dat het citeren uit de populaire cultuur zijn gedichten tijdgebonden maakt. ,,Onder de beste poëzie is veel gelegenheidspoëzie – lees Pindarus, die odes schreef voor de winnende atleten bij de Olympische Spelen. Verwijzen naar muziek en film is een van de vele manieren om extra betekenis in je gedichten te leggen, net als het verwerken van bekende dichtregels. Neem `Bambi op het ijs', een van de beelden die ik gebruik in een gedicht over onzekerheid: in vier woorden steel ik de context van de Disney-film en roep ik bij de lezer een complete wereld op. Het citeren moet natuurlijk geen doel op zichzelf worden, zoals bij Van Gogh cum suis, die alleen maar aansluiting lijken te zoeken bij de tv-cultuur.'

Een inspiratiebron die nog meer voor de hand ligt is de Griekse cultuur. Niet alleen vertaalde Pfeijffer in Van de vierkante man Pindarus' dertiende Pythische ode, ook voorzag hij veel van zijn gedichten van Griekse motieven, zoals de melancholieke toespraak tot de uitgebluste graecus of het ironisch-hoogdravende gedicht onder de titel `De classicus lamenteert in een hoog stijlregister'. Soms geeft Pfeijffer een gedicht alleen een cryptische Griekse titel mee. Als ik hem vraag waarom een gedicht over een gezapige relatie `Aeolica' heet, beschuldigt hij zichzelf van `ergerniswekkende geleerdheid': ,,De titel slaat op een versvorm waarbij elk woord evenveel lettergrepen heeft, in dit geval één. Bovendien is Aeolus de god van de wind, en dat suggereert de gebakken lucht die de relatie tussen de man en vrouw kenmerkt. Maar niemand hoeft dat te weten om het gedicht mooi te vinden.'

`Ergerniswekkende geleerdheid' is een term die ook terugkomt in Pfeijffers nieuwe boek De Antieken, een ambitieuze poging om een literatuurgeschiedenis van de oudheid te schrijven voor een breed publiek. Ze was volgens Pfeijffer de belangrijkste eigenschap van de Alexandrijnse dichter Callimachus (305-240 vC), die hij om zijn montere intellectualisme en zijn `voorliefde voor gekke, zeldzame woorden en toespelingen' bijna net zo bewondert als Pindarus. Dat is opvallend, omdat Callimachus bij de meeste classici een slechte pers heeft; en het is niet het enige eigenwijze oordeel in De Antieken. Pfeijffer vertrapt als een lachende olifant het klassieke porselein. Aeschylus is een `matig dramaturg', Euripides als dichter `beschamend gemakzuchtig'. De filosoof Aristoteles is `onleesbaar' en de geschiedschrijver Polybius `zo goed als onleesbaar'. Bij Xenophon is het `moeilijk bij de derde zin nog wakker te zijn', terwijl de satiricus Persius behept is met `verdomd weinig gevoel voor humor'. Aan de andere kant is de epische dichter Apollonius (derde eeuw vC) veel beter dan iedereen ooit beweerd heeft, en maken Sophocles, Plato, Lucretius, Ovidius en Tacitus hun reputatie meer dan waar.

,,Ik wou geen ouderwets naslagwerk maken', zegt Pfeijffer bij zijn zoveelste sjekkie. ,,Het moest geen spoorboekje worden van namen, jaartallen en titels, maar een lopend verhaal waarin de klassieke schrijvers in hun maatschappelijke en literaire context werden geplaatst. Een paar andere accenten dan mijn voorgangers wilde ik wel zetten. Zo zie ik helemaal niets in het `opkomst-bloei-ondergang'-idee waarmee veel classici werken. De hellenistische literatuur, geschreven in de multiculturele steden van de wereld na Alexander de Grote, is niet per se minder dan die uit de Gouden Eeuw van Athene. En de wederzijdse beïnvloeding tussen de Griekse en de Latijnse literatuur is veel te vaak verdonkeremaand.'

Tweedehands

De Antieken beslaat een periode van meer dan duizend jaar. Is Pfeijffer niet te jong om over de vele boekenkasten vol antieke bronnen te oordelen? ,,Ik zou liegen als ik zei dat ik me bij het schrijven nooit ongemakkelijk heb gevoeld. Maar zelfs een heel mensenleven is niet toereikend om alles te lezen, en dus vond ik dat ik best mocht selecteren. Dat moet je natuurlijk met beleid doen: als je tien procent van Vergilius leest, is dat weinig; als je tien procent van de medische handboeken van Galenus leest, is dat heel veel. Bij wat je niet kent, moet je je verlaten op tweedehands kennis. Maar daar ontkom je ook niet aan als je pas op je 65ste aan dit werk zou beginnen.'

Pfeijffer durft niet te zeggen hoeveel procent hij van al het bronnenmateriaal heeft gelezen; maar dat belet hem niet om in De Antieken af en toe zonder terughoudendheid van leer te trekken tegen zijn collega-classici. Een eye-opener is zijn uiteenzetting, aan het begin van het boek, over de juiste uitspraak van Griekse namen. Onder het motto `het Grieks had geen klemtonen, het was een toontaal' maakt hij duidelijk hoe misplaatst elitair het is als classici je uitlachen wanneer je het hebt over Hómerus of Epícurus. Overigens beschouwt Pfeijffer zich niet als een nestbevuiler. ,,Mijn strijd tegen de arrogantie van sommige classici is vóór alles een retorische truc, een middel om de lezer in een samenzwerinkje te betrekken.'

Anders dan veel van zijn collega's (onder wie de dichter-classicus Piet Gerbrandy, die vorige week de essaybundel Boeken die er toe doen publiceerde) vindt Pfeijffer niet dat de klassieke talen er tegenwoordig slecht voorstaan – een stelling die je extra vaak hoort nu de Klassieke Boekenweek nadert. ,,Er is op dit moment een hausse aan nieuwe vertalingen uit het Latijn en Grieks, en aan de universiteit krijgen we niet minder studenten dan in het verleden. Die kennen de oude talen nauwelijks, maar dat geeft niet, die leren wij ze wel. Veel belangrijker is dat gymnasiasten veel meer kennis van oude geschiedenis en filosofie hebben dan vroeger. Ze denken ook beter na en stellen betere vragen aan de teksten die ze voor hun neus krijgen.'

Een Klassieke Boekenweek is dus eigenlijk niet nodig om de oude talen een steun in de rug te geven? ,,Nee, maar het kan nooit kwaad om aan een breed publiek nog eens duidelijk te maken dat de oudheid niet kritiekloos vereerd moet worden. Latijn en Grieks hebben heel lang op een voetstuk gestaan, en dat heeft schuldgevoel en elitarisme in de hand gewerkt. Maar de klassieke literatuur is er een als alle andere: ze is niet door een stel perfecte aliens op de wereld gezet. Je moet de Antieken gewapend met je eigen smaak tegemoet treden. Vergilius mag je best lelijk vinden.'

Ilja Leonard Pfeijffer: De Antieken Een korte literatuurgeschiedenis. Uitg. de Arbeiderspers, 274 blz., ƒ 29,95.