Machtswisseling in Oslo zonder grote gevolgen

De Noorse minderheidsregering van Kjell Magne Bondevik is door de sociaal-democraten ten val gebracht. Zij willen terug aan de macht.

Eindelijk is dan toch gebeurd waar Noorwegen ruim twee jaar op heeft gewacht. De populaire premier Kjell Magne Bondevik is opgestapt. Al vanaf de eerste regeringsdag in oktober 1997 voorpelden commentatoren dat het snel gedaan zou zijn met de minderheidscoalitie van christen-democraten, Centrumpartij en liberalen. Maar de joviale dominee wist lang behoedzaam tussen de politieke klippen door te laveren. Met maar 25 van de 165 parlementszetels voor zijn eigen christen-democraten, en slechts 42 zetels voor de coalitie als geheel, is een wonder dat Bondevik het zo lang heeft volgehouden.

Dat wonder is vooral te danken aan de sociaal-democraten. Het bewind van de stijve Thorbj⊘rn Jagland, die de partij leidde sinds het vertrek van de populaire Gro Harlem Brundtland, heeft de sociaal-democraten geen goed gedaan. Het begon al met Jaglands inschattingsfout voor de verkiezingen van 1997. Hij zou alleen in een nieuwe regering stappen als zijn partij ten minste net zo veel stemmen zou krijgen als vier jaar daarvoor. Het werd iets minder, maar de sociaal-democraten hadden geen andere keuze dan om als grootste partij (65 zetels) in de oppositie te gaan.

Door de arrogantie waarmee Jagland vervolgens oppositie voerde – bij voorbeeld door vanaf het begin te voorspellen dat Bondevik het niet lang zou volhouden en dat de andere partijen met hangende pootjes bij hem zouden terugkomen – is de ster van Bondevik alleen maar gestegen. Meer dan de helft van de kiezers liet nog deze week in een peiling weten hem als premier te steunen.

Toch was het voor de sociaal-democraten de hoogste tijd om Bondevik weg te sturen. In 2001 zijn er verkiezingen – de grondwet laat geen tussentijdse verkiezingen toe, dus zullen de partijen in de huidige parlementaire samenstelling een regering moeten formeren. Niets wees erop dat de kiezers Jagland zouden steunen.

Daarom is hij in februari op een zijspoor gezet. De partijleiding is overgenomen door Jens Stoltenberg, lid van een Noorse politieke dynastie (vader Thorvald was minister van Buitenlandse Zaken, hoofd van de UNHCR en Bosnië-onderhandelaar) en oud-minister van Energie en Financiën.

Stoltenberg liet de centrum-rechtse regering van Bondevik uitgerekend vallen over een onderwerp dat te maken heeft met het milieu, dat hij zelf een warm hart toedraagt. Bondevik weigerde de strenge kooldioxide-richtlijn te versoepelen om het mogelijk te maken gasgestookte centrales te bouwen in Noorwegen, dat zijn elektriciteit nu nog vrijwel geheel produceert met waterkrachtcentrales. Stoltenberg vindt dat hypocriet. Wegens de stijgende vraag naar energie zal Noorwegen meer elektriciteit moeten kopen in het buitenland, bijvoorbeeld in Denemarken en Polen. Die landen produceren hun stroom vaak met meer vervuilende kolencentrales. Maar volgens Bondevik is het onzin om te veronderstellen dat andere landen hun productie terugschroeven als Noorwegen bij hen geen stroom meer koopt. Bondevik wil daarom wachten met de bouw tot centrales milieuvriendelijker zijn. Maar uiteindelijk ging het helemaal niet om centrales: de sociaal-democraten wilden terug naar de macht. En met steun van de Conservatieven werd gisteravond met 81 tegen 71 stemmen een motie van wantrouwen tegen Bondevik aangenomen.

Voor de sociaal-economische politiek lijkt de machtswisseling geen gevolgen te hebben. De Noorse financiële markt reageerde gisteren dan ook nauwelijks. Waarschijnlijk is de nieuwe regering Europa-vriendelijker, maar niets wijst erop dat Noorwegen echt richting EU zal opschuiven. De begroting voor het jaar 2000 zal ook niet worden aangepast, want die is door Bondevik al gemaakt in samenspraak met Stoltenbergs sociaal-democraten.