Liedjes die altijd hebben bestaan

Of een liedje goed was, gold voor Irving Berlin niet als doorslaggevend. Toen iemand hem eens complimenteerde met een nummer, maakte hij een wegwerpgebaar en zei: ``Het was geen hit.' Toen een ander opmerkte dat hij een ouderwetse musical had geschreven, grijnsde hij en antwoordde: ``Ja, een echt ouderwets kassucces.' Voor hem was een liedje of een musical pas waarlijk geslaagd, als hij er ook succes mee had geoogst. In de praktijk gingen succes en kwaliteit trouwens meestal gelijk op – Berlin was niet alleen de populairste liedjesmaker van de twintigste eeuw, maar ook één van de beste.

Zijn oeuvre is ongelooflijk: Berlin schreef het populairste kerstlied van de twintigste eeuw (White Christmas), de eerste grote jazz-hit aller tijden (Alexander's Ragtime Band), de meest gezongen ode aan zijn eigen werkterrein (There's no business like show business), het beste alternatief voor het Amerikaanse volkslied (God bless America), twee van de meest aanstekelijke danssongs (Cheek to cheek en Let's face the music and dance) en duizenden andere nummers waaruit iedereen nog volop zijn favorieten kan kiezen. De mijne zijn Puttin' on the Ritz en Isn't it a lovely day (to be caught in the rain), maar de voorraad is groot genoeg om tot een heel andere keus te komen.

Irving Berlin schreef nummers waarop het ultieme compliment van toepassing is dat men een liedje kan maken: het is alsof ze altijd al hebben bestaan, en alsof het ondenkbaar is dat ze er ooit niet waren. Berlin heeft lang genoeg geleefd om nog het slachtoffer te worden van de Amerikaanse auteurswet, die voorschrijft dat de copyrights op een compositie vijftig jaar na het deponeren vervallen – in tegenstelling tot de Europese wet, die de rechten pas vijftig (sinds kort zelfs zeventig) jaar na het overlijden van de maker vrijgeeft. Terwijl hier dus nog altijd moet worden betaald voor elke uitvoering van het uit 1911 daterende Alexander's Ragtime Band, heeft Irving Berlin in 1961 nog meegemaakt dat het nummer tot publiek domein werd verklaard. Dat is méér dan een financiële kwestie; het zegt ook veel over zijn auteurschap. Wat hij schreef, is – soms zelfs ook in juridisch opzicht – publiek domein geworden.

Beilin

's Mans levensverhaal spreekt tot de verbeelding. Het is al eens uitputtend en zeer onderhoudend geboekstaafd door Laurence Bergreen in As thousands cheer (1990) en nu komt Edward Jablonski met een tweede, minstens zo doortimmerde Berlin-biografie. Jablonski, die eerder een studieus boek over George Gershwin en biografieën van tekstdichter Alan Jay Lerner en componist Harold Arlen schreef, is droger en preciezer dan Bergreen. Zo ontdekte hij dat zijn hoofdpersoon oorspronkelijk niet Baline heette, zoals altijd is geschreven, maar Beilin. De naam Baline was het gevolg van onzorgvuldige inschrijving op Ellis Island, waar het Russisch-joodse emigrantengezin in 1893 arriveerde, met de 5-jarige Israel (Izzy) als achtste en jongste kind. Zo'n detail tekent Jablonski's taakopvatting. Hij raadpleegt in zo'n geval – zoals het een biograaf betaamt – de passagierslijst van het schip dat de landverhuizers destijds van Antwerpen naar New York voer. En jawel: daar staat Beilin.

Of de kleine Izzy zich veel gelegen liet liggen aan zijn joodse afkomst, weet niemand meer. Vast staat, dat hij snel veramerikaniseerde en zijn leven lang een patriot bleef. Toen de bladmuziek van zijn eerste liedje werd gedrukt, stond hij op het omslag vermeld als `I. Berlin'. De verbasterde achternaam was een vergissing, maar zijn voornaam was bewust teruggebracht tot een initiaal: een nummertje dat Marie from Sunny Italy heette, kon beter niet worden gesigneerd door iemand die de naam Israel droeg. Vervolgens was de debuterende liedjesschrijver er als de kippen bij om zijn nieuwe achternaam te adopteren en het initiaal een nieuwe invulling te geven. Vanaf dat moment was hij Irving Berlin, negentien jaar en hard op weg naar de top.

En zoals hij zich aan zijn nieuwe land aanpaste, zo wist hij zich ook telkens aan te passen aan de muzikale smaak van het moment en de tijdgeest. Niet voor niets ontstond God bless America in het jaar van Hitlers opmars door Europa, en viel White Christmas samen met de uitzending van militairen naar het Europese strijdtoneel. Het was hun eerste keer dat ze de kerstdagen ver weg van huis moesten doorbrengen, en daar kwam Bing Crosby met het op muziek gezette verlangen van de man voor wie elke kerstkaart uiting geeft aan zijn verlangen naar een vredige, witte kerst. ``Ons werk is het verbinden van oude frasen op een nieuwe manier, zodat ze klinken als een nieuwe melodie,' zei Berlin eens. Nieuw werk moet origineel zijn, vat Jablonski samen, maar niet te origineel – iets vertrouwds, zonder volledig voorspelbaar te zijn.

Quintessential American is de levensloop van Irving Berlin – letterlijk van krantenjongen tot miljonair. Hij liep op zijn dertiende van huis weg, omdat hij zelf aan de kost wilde komen, en voorzag in zijn schamele levensonderhoud als loopjongen bij een muziekuitgeverij, krantenjongen en zingende ober, alledrie alledaagse betrekkingen in het toenmalige New York. Als zingende ober was het zijn taak de klanten te bedienen en te amuseren. Izzy Baline maakte er zijn specialiteit van aangepaste teksten te maken op populaire liedjes. Soms waren die nogal gewaagd, zegt Jablonski, maar hij geeft helaas geen voorbeelden. In elk geval moet het een goede leerschool zijn geweest: hij leerde hoe hij de aandacht van zijn publiek moest vasthouden. Het mooiste was uiteraard om een eigen nummer te lanceren. Zo ontstond Marie from sunny Italy, nadat een aanpalend café succes had geboekt met een ander quasi-Italiaans nummertje.

Tussen de krantenjongen en de miljonair lagen uiteindelijk hooguit een jaar of vijftien. Al op zijn 28ste kon Irving Berlin bogen op een jaarinkomen van zo'n 100.000 dollar, voornamelijk uit de verkoop van de bladmuziek van zijn songs. De rest kwam een jaar later, toen het Amerikaanse Hooggerechtshof het recht van liedjesschrijvers erkende om een percentage te ontvangen van elke keer dat één van hun werken op de radio, in restaurants en in theaters en bioscopen ten gehore werd gebracht. Op die uitspraak is sindsdien de gehele internationale bedrijfstak van de muziekuitgeverij gebaseerd. Tekst en muziek kwamen bij Berlin doorgaans tegelijk. De tekst hielp de muziek verder en als daarbij iets haperde, bracht de muziek de tekst weer op gang. Maar het notenschrift moest worden genoteerd door een assistent. Zelf kon hij dat niet. Met pianolessen hield hij al na een paar dagen op. Hij was een praktisch man, en met zijn assistent ging het werk veel sneller.

Chronisch onzeker

Geklets over inspiratie beviel hem niet. ``Als je een vakman bent', zei hij, ``dan ga je zitten en schrijven, en dan ben je realistisch genoeg om in te zien hoe goed je bent en hoe slecht je kunt zijn.' Niettemin tekent zijn biograaf hem als een chronisch onzekere man. Hij was een zenuwpees, die slecht sliep en zich zelden ontspande.

Zijn laatste optreden in het openbaar vond plaats in 1973, toen hij al ver in de tachtig was. Hij zong God bless America, tijdens een liefdadigheidsgala op het Witte Huis, ten overstaan van de door Watergate geplaagde president Nixon. Zijn nieuwe vaderland zou hij eeuwig dankbaar blijven; hij begreep weinig of niets van de opstandigheid van die nieuwe generatie. Er bestond toch geen beter land dan Amerika?

Laurence Bergreen, zijn vorige biograaf, portretteerde de bejaarde Berlin als een vrekkige kluizenaar, die zijn copyrights argwanend afschermde. De nieuwe biografie nuanceert dat beeld. Het ontstond, aldus Jablonski, omdat bij de firma Irving Berlin Music, op zeven verdiepingen aan de West 46th Street, een heel legertje juristen angstvallig over de auteursrechten waakte. Wie met een redelijk verzoek tot de man zelf wist door te dringen, kreeg meestal wel toestemming om iets te doen met een liedje. Berlin kon soms wel achterdochtig zijn, maar hij hield er vooral van als het leven gemutlich was – met dat woord, zonder umlaut geschreven in een briefje aan een vriend, sloop er opeens nog iets jiddisch in zijn verder zo geangliseerde taal.

Irving Berlin overleefde tenslotte zichzelf. Hij stierf als 101-jarige, en menigeen reageerde verbaasd op dat bericht; hij was zo iemand die in de ogen van het grote publiek al jaren geleden was overleden. En zijn beste liedjes hadden zich trouwens allang losgezongen van hun maker – de liedjes dus, die ook de succesvolste waren.

Edward Jablonski: Irving Berlin. American Troubadour. Henry Holt and Company, 406 blz. ƒ83,30

Muziek