Een oude hippie droomt voort

Zanger en gitarist David Crosby, in de jaren zestig en zeventig lid van achtereenvolgens The Byrds en Crosby, Stills, Nash and Young, is een begrip in de Amerikaanse popwereld. Niet eens zozeer als muzikant, maar als vertroeteld symbool van de Woodstock-generatie. Met zijn tomeloze consumptie van drugs, drank en jonge meisjes, gold hij, aanvankelijk, als de personificatie van het onbezorgde hedonisme dat dit tijdperk had ontketend. Begin jaren tachtig – opgezwollen, verslaafd, paranoïde en in de gevangenis beland wegens illegaal wapenbezit – werd hij de belichaming van de `donkere kant' van dit psychedelische tijdperk.

Maar zoals zovelen van zijn bevoorrechte generatie, legde Crosby een groot vermogen tot wederopstanding aan de dag. Hij kickte af, knapte op, kreeg een nieuwe lever, en hervond zijn zonnige enthousiasme en libertaire geloof in een betere wereld. Zijn autobiografie Long Time Gone (1988) werd een kassucces. De langverwachte reünie met zijn maatjes Stills, Nash en Young – nu op tournee door Amerika – gaf hem nieuwe rugwind. Als klap op de vuurpijl kwam onlangs de onthulling dat Crosby (58) de biologische vader is van twee kinderen van de lesbische popster Melissa Etheridge. Híj was uitverkoren, met zijn ballonbuik, walrus-snor en pretogen. De cover van Rolling Stone waarop de familie Crosby-Etheridge poseerde, bezegelde zijn renaissance als Amerika's favoriete oude hippie.

En nu is er een nieuw boek. Stand and be Counted, naar Crosby's gelijknamige nummer over activisme op CSNY's reünie-elpee, behandelt in chronologische hoofdstukken de rol van popmuziek in sociale kwesties en de geschiedenis van benefietconcerten. `Behandelt' is een groot woord, het komt erop neer dat Crosby erop losbabbelt in Californisch jargon dat zo van de bandrecorder lijkt opgetekend. Zijn inzet is een `ethische', schrijft hij: muziek spreekt de waarheid en helpt onrecht uitbannen. Popzangers zijn moderne troubadours, die misstanden aanklagen en ons oproepen er iets aan te doen.

Achtereenvolgens komen dan de zwarte burgerrechtenbeweging, Vietnam, het concert voor Bangladesh, de no nukes-beweging, Live Aid, en andere festivals aan de orde. Mits de maag bestand is tegen Crosby's Westcoast-toon (iedereen is `a wonderful person', behalve politici, bankiers en generaals), steekt de lezer gaandeweg het nodige op. Die kennis verhoudt zich alleen wat moeilijk tot Crosby's overtuiging dat popmuziek per definitie een sociaal progressieve rol speelt. Paul McCartney die niet optreedt voor Bangladesh omdat zijn schoonvader het concert niet mag organiseren; Bob Dylan die een Chili-avond omtovert in een drinkgelag (met Allende's weduwe in het publiek); Joni Mitchell die, uitgefloten door een publiek van bajesklanten, uitvalt: `we komen jullie liefde brengen, als jullie daar niet mee kunnen omgaan, is dat jullie probleem'; opnieuw Bob Dylan die op Live Aid voor Ethiopië vraagt of er van de opbrengst `niet veel, een paar miljoen' af kan voor de Amerikaanse boeren.

Zo wordt dit luchtige boek op een bepaalde manier toch interessant. Telkens blijken artistiek talent, sociale actie en politiek benul namelijk maar moeizame partners. Crosby zelf is misschien wel het beste voorbeeld van de tegenstrijdigheden van het popbewustzijn dat hij wil uitdragen: keer op keer onderstreept hij de noodzaak van sociaal engagement, maar tegelijk is er geen politicus (of bankier of generaal) die hij vertrouwt. Politiek cynisme aanwakkeren lijkt echter niet het beste recept voor een groter maatschappelijk engagement. Maar volgens Crosby is het allemaal gewoon een kwestie van een `verhoogde vorm van bewustzijn'. Moeilijke vragen zijn dan ook niet aan hem besteed, laat staan sociaal-politieke analyse of reflectie. Hij droomt liever weg bij het geluid van de ochtendsurf. Californië über alles.

Ondanks de warme persoonlijkheid van deze auteur wordt Stand and be Counted daardoor al snel irritant kortzichtig en zelfgenoegzaam. Nergens geeft Crosby zich rekenschap van muzikaal engagement dat níet bij zijn boodschap past: muzikanten zijn lief, beautiful, en links. Geen woord over Neil Youngs haviken-patriottisme of zijn reactionaire steun voor Ronald Reagan in 1980, over Bruce Springsteens Born in the USA, het nihilisme van punk, of de opkomst van neonazi-muziek. Ook de dubbelzinnige status van benefietoptredens als een verplicht nummertje voor popmiljonairs – over steeds minder omstreden `kwesties' – ontgaat Crosby. Wat is er controversieel aan een benefiet voor orkaanschade? In plaats van analyse krijgen we David Crosby's morfogenetische veldtheorie van de waarheid: `Ik geloof dat ware dingen die je zegt, zich verspreiden als rimpels in een vijver, en dat leugens dat niet doen'. Goed, en neem nog gerust een trekje van de vredespijp.

Het is mooi dat Crosby nog leeft, en aardig van hem dat hij een boek heeft geschreven dat hij met ons wil delen. Maar het leerzaamst daarin is toch de anekdote over de voormalige CSNY-drummer Dallas Taylor, die ook toe was aan een nieuwe lever maar even krap bij kas zat. Crosby, Stills en Nash schoten te hulp, met een benefietconcert. En Dallas kréég zijn nieuwe lever – waarna hij een vilein boek schreef over zijn oude makkers en hun een proces aandeed wegens achterstallige royalty's. Bah, verzucht Crosby, sommige mensen zijn gewoon shits. Spelbrekers heb je overal, zelfs in Woodstock.

David Crosby en David Bender: Stand and be Counted.

Making Music, Making History.

Harper, 244 blz. ƒ62,50 (geb.)

Muziek