Een gedoemd huwelijk

Onderzoek doen naar wat zich eigenlijk niet laat onderzoeken. Geen genoegen nemen met wat toevallig is overgeleverd. Willen weten wat niemand kan weten. Dat was vijf romans lang de grote missie van Jan Tetteroo. `Was', want Tetteroo, een pseudoniem waarachter twee personen schuilgingen, lijkt zichzelf te hebben opgeheven. Zijn romans zijn er natuurlijk nog wel, maar de twee schrijvers zijn ieder huns weegs gegaan. Van Jacques Hendrikx is nog niets vernomen, maar Hans Münstermann is zijn solocarrière begonnen met Het gelukkige jaar 1940, ook weer een roman, waarin nog veel van het `oude' gedachtegoed van Tetteroo terug te vinden is.

Het was Tetteroo telkens weer te doen om de veronderstelde gevoelens en vermoede beweegredenen achter de (historische) werkelijkheid. In De laatste Nederlandse man (1993) boog hij zich onder meer over de vraag wat er in Johanna de Nigtere, het 18-jarige meisje dat in 1939 vermist raakte, kan zijn omgegaan. En hoe haar ouders op het onopgeloste drama reageerden. Onbeantwoordbare vragen, maar juist daarom des te intrigerender. In dezelfde roman werd ook een bloedstollend verslag gegeven van de thuiswedstrijd die het Nederlands elftal op 17 februari 1935 speelde tegen het Duitse elftal, in het Olympisch Stadion. De wedstrijd werd met 2-3 verloren na een goedgekeurd buitenspeldoelpunt van Duitsland. Dat zijn de feiten, maar ze werden met zoveel geur en kleur en emotie omgeven, dat je vanzelf ging geloven in nieuwe mogelijkheden: misschien zou het toch nog 3-3 kunnen worden. Zoals je je ook ging afvragen of Johanna de Nigtere niet toch nog zou worden teruggevonden, vijftig jaar na haar verdwijning. Dat is of was de grote kracht van Tetteroo: de gevoelshiaten tussen de droge feiten opvullen en ze daarmee nieuw leven inblazen.

Het is ook precies wat Münstermann nastreeft in Het gelukkige jaar 1940. Vergelijkbaar is eveneens de inzet en de gretigheid waarmee de roman geschreven is, maar duidelijk anders is de toonzetting, die persoonlijker, intiemer is. Het is mogelijk dat die toon is ingegeven door de niet nader aangeduide `autobiografische elementen' die de roman volgens de uitgever zou bevatten. Het zou dus kunnen dat Münstermann, net als zijn hoofdpersoon, Andreas Klein, een Duitse vader heeft gehad en net als hij het vierde kind was in een huishouden met zeven kinderen waarin het niet erg gezellig of vrolijk toeging.

Het gelukkige jaar 1940 doet enigszins denken aan een tweede-generatieroman, omdat de verteller in het reine probeert te komen met het familieverleden dat op zijn schouders drukt, enigszins op de manier van Louis Ferron. Maar in de eerste plaats gaat Andreas toch op zoek naar de ontbrekende stukken in de levenspuzzel van zijn ouders, waarvan hun trouwdag het centrum vormt: 10 mei 1940. Een slechtere dag was achteraf gezien nauwelijks denkbaar voor de verbintenis tussen een Duitser en een Nederlandse. Een gedoemd huwelijk, zoveel is van meet af aan duidelijk, dat tot zijn bittere einde (echtscheiding) in het teken zal staan van de oorlog.

Zonder larmoyant te worden geeft Münstermann een hartverscheurend beeld van dit huwelijksleven, waarin maar een enkel lichtpuntje te bespeuren valt. De oorlogsjaren waren het ergst, maar ook daarna zou het nooit meer goed komen. Het sociale isolement, de armoe, de dwangarbeid die de vader eerst in Duitsland en na de oorlog ook nog in Nederland moest doorstaan (zonder iets anders op zijn kerfstok te hebben dan van Duitse afkomst te zijn), waren niet erg bevorderlijk voor de onderlinge verstandhouding.

Met vader Joachim en moeder Marianne zelf was niet veel mis, als we Andreas mogen geloven: sympathieke en welwillende, misschien alleen wat naïeve mensen. Ze hadden gewoon pech en werden uit elkaar gedreven door de omstandigheden. Een verhaal, kortom, zoals er over veel mensen te vertellen valt. Dat deze geschiedenis exemplarische trekken krijgt, heeft niet alleen te maken met de glasheldere stijl en de rechtstreekse en overrompelende manier van vertellen, maar ook met de drammerige ondertoon ervan. Hier is iemand aan het woord die niet van wijken weet, die doorvraagt waar anderen allang eerbiedig zwijgen.

De broers en zussen van Andreas vinden `al dat gezeik over vroeger' niet zo nodig, maar Andreas wil alles weten: over weggemoffelde broers van vaderskant, over de eerste huwelijksnacht en over de vele beproevingen die zijn vader moest doorstaan. Zijn liefste wens: een borreltje te kunnen drinken met zijn moeder op haar trouwdag om met eigen ogen te kunnen zien hoe zij toen was.

Wat mij voor deze tragische familiegeschiedenis vooral inneemt is dat zij, onder een korzelig vernis, zo warmbloedig is en welgemeend. De prangende kwestie die de zoon vooral wil oplossen, is of zijn ouders van elkaar gehouden hebben. Uit de overlevering dringt zich een luid en duidelijk `nee' op, maar daar kan hij niet mee leven. In zijn reconstructie van het verleden maakt hij veel werk van het betrappen van gevoelens die er ooit geweest moeten zijn, of geweest zouden kunnen zijn, tot troost van zichzelf en de familie.

Het gekke van deze constructie is dat zij werkt, mij althans geheel overtuigt van de mogelijke waarheid ervan, al is ze verre van betrouwbaar. Je wilt graag geloven wat je leest omdat er zulke goede bedoelingen achter zitten: het hartstochtelijke verlangen om iets recht te zetten dat door domme pech is scheefgegroeid. Te bewijzen valt er uiteindelijk natuurlijk niets. We zullen nooit weten of Joachim en Marianne elkaar hebben liefgehad, al was het maar op hun trouwdag. Maar deze zekerheid geeft in elk geval Münstermanns liefdevolle roman: dat deze twee rampzalige levens niet onopgemerkt zijn gebleven.

Hans Münstermann:

Het gelukkige jaar 1940.

L.J. Veen. 254 blz. ƒ34,90

Nederlandse literatuur