Een causeur pur sang

Het schrijven van memoires hoeft niet te zijn voorbehouden aan persoonlijkheden die een majeure rol in het publieke leven hebben gespeeld. Ook herinneringen uit de marge kunnen interessant zijn. Dat was zeker het geval met het eerste deel van de memoires van de inmiddels gepensioneerde journalist Igor Cornelissen, dat het karakter had van een amusante kroniek. Nu alweer het derde, omvangrijke deel van diens levensverhaal is verschenen, rijst toch de vraag of deze causeur pur sang niet per ongeluk in zijn eigen wereldhistorische betekenis is gaan geloven. Terug naar Zwolle is weer even egostrelend als de niet minder omvangrijke voorgaande delen, die verschenen onder de titels Van Zwolle tot Brest-Litowsk en Raamgracht 4.

Van 1962 tot 1996 werkte Cornelissen, afkomstig van Het Vrije Volk en later Het Parool, bij het weekblad Vrij Nederland, waarin hij als crypto-trotskist en amateur-trompettist originele en lezenswaardige artikelen publiceerde over linkse figuren, jazzmusici en vergeten literatoren. Af en toe had hij zelfs een primeur, maar dat maakte hem nog niet tot de jongensboekenheld waarvoor de vrouwtjes hem, denkt hij, aanzien. In Terug naar Zwolle, over de periode 1976-1986, beschrijft hij een ontmoeting met een aankomend journaliste (zijn huidige vriendin) in een Amsterdams café, waar Chinezen en Surinamers komen. Hij nam haar hier mee naartoe om haar te `laten zien hoe de geslaagde oudere journalist zich niet alleen in het vak handhaafde maar altijd een hang naar het exotische had behouden.'

Je moet de humor kunnen inzien van deze mix van megalomanie en zelfspot en ook nog bestand zijn tegen de oubollige stijl (mensen `betrekken hun rookwaren bij Hajenius', in plaats van gewoon sigaren te kopen bij die winkel) om het werk van Cornelissen te kunnen waarderen. Ik ben er een liefhebber van, al hecht ik aan de historische juistheid van zijn verhalen even weinig geloof als aan de Amsterdamse roddel dat Igor al jaren bij zijn tante in Zwolle in een hangkast woont. Cornelissens memoires zijn een, waarschijnlijk onbewuste, pastiche van de auteur op zichzelf. Iemand die over zichzelf schrijft dat zijn naam `een begrip' is geworden, omdat hij redacteur was van `het leidinggevende weekblad' ofwel toegelaten was tot `de keurtroep van Vrij Nederland' valt niet altijd volledig serieus te nemen. Maar hopelijk is dat ook niet zijn bedoeling.

Geharrewar

In het vorige deel van zijn memoires, waarvan de titel verwees naar het redactie-adres van Vrij Nederland, liet Cornelissen uitdrukkelijk weten niet de geschiedenis van het opinieweekblad te willen schrijven. Ook in Terug naar Zwolle doet hij dat niet. Wel wordt de neergang van VN, met zijn onverkwikkelijke ruzies en regelrechte collegiale broodroof, breed uitgemeten. De opzet van het boek is heel simpel: aan de hand van verhalen, interviews, reportages en necrologieën die hij voor Vrij Nederland bij elkaar tikte, geeft hij een indruk van zijn manier van journalistiek bedrijven. `De waan van de dag', zoals hij de actualiteit noemt, was hem te min. `Kamerleden die faalden, staatssecretarissen die jokten, ministers die misgrepen: het was geharrewar op kleine schaal. Natuurlijk moest dat wel in de krant en het was prettig te weten dat Joop van Tijn en zijn gedienstige assistent Max van Weezel het machtsbolwerk Den Haag met grote vasthoudendheid doorkruisten, controleerden en beschreven.'

Igor Cornelissen koos liever voor geharrewar op grote schaal, wat onder andere resulteerde in een onthullend boek over Nederlandse Sovjet-spionnen in de jaren twintig en dertig, De GPOe op de Overtoom. Trots memoreert hij dat de presentatie van dit boek `een historische gebeurtenis' was. Karel van het Reve hield een toespraak `waarin hij van het communisme niets heel liet, maar het idealisme van de deelnemers intact liet'. Waarom Cornelissen dat kan waarderen is duidelijk: ook hij portretteerde in VN de mensen die op zijn pad kwamen met inlevingsvermogen en empathie. Zelfs zijn biografie van de communistische leider Paul de Groot is met respect geschreven en hetzelfde geldt voor de spionnen uit De GPOe op de Overtoom, hoewel het voormalige CPN-Kamerlid Marcus Bakker dit boek in De Groene Amsterdammer volgens Cornelissen afbrandde `als zijnde overschrijverij van oude boeken en het optekenen van praatjes van ouwehoeren.'

Zo ontroerend als onze geslaagde journalist over oude jazzmuzikanten, Zwolse drinkebroers, oude joodse dames en heren of linkse en rechtse excentriekelingen schrijft, zo bot portretteert hij een aantal van zijn ex-VN-collega's. Voormalig Haags redacteur Max van Weezel komt er als `assistent van Joop van Tijn' relatief nog genadig af. Dat geldt niet voor eindredactrice Marian Huskes die met een dronken kop in het café gezegd zou hebben dat er op Vrij Nederland een `joodse lobby' aan het werk was. Een andere redacteur kletste dat door, zodat er een heuse, in de pers breed uitgemeten `affaire' ontstond die Huskes op een paar weken schorsing kwam te staan. Het belangrijkste gevolg van de zaak was, volgens Cornelissen, `dat het op de redactie nooit meer goed kwam'.

Vervolgens schetst hij in wat de interessantste maar ook meest ontluisterende passages van het boek zijn, hoe de redactie van het `journalistieke paradijs' desintegreerde en ten onder ging aan haat, nijd en gekonkel. De redactie maakte de fout ermee in te stemmen dat zijzelf de zeven redacteuren aan zou wijzen die – wegens een noodzakelijke bezuiniging van zeven ton – ontslagen moesten worden. Drie redacteuren gingen vrijwillig weg. Onder hen was Cornelissens `maatje' Martin van Amerongen. Hem kan dus niets worden verweten, al viste ook hij volgens zijn vriend Cornelissen in troebel water omdat hij een plaats in de hoofdredactie geambieerd had. Alle redacteuren die bleven hebben, als we de weergave in Terug naar Zwolle mogen geloven, boter op hun hoofd. Ook Cornelissen en de uiteindelijk ontslagen collega's gingen akkoord met een procedure waarbij men elkaar op een redactievergadering moest voordragen voor ontslag en iedereen voornamelijk bezig was z'n eigen hachje te redden ten koste van de ander.

Loslippigheid

Door deze onsmakelijke conflicten – vergeleken waarmee de fractiestrijdjes in de linkse beweging kinderspel waren – speelt dan nog de zogeheten `anonieme brieven-affaire'. Een kennelijke insider bestookte VN-redacteuren met geniepige post. Aukje Holtrop ontving bijvoorbeeld een brief waarin ze een `gereformeerde trut' werd genoemd en zij was het die in 1986 de anonieme brieven aanhangig maakte. Redacteur Frits Abrahams werd met een onderzoek naar de afzender belast, maar tijdens de redactievergadering waar hij de uitkomst bekend wilde maken, werd hem het spreken onmogelijk gemaakt. Abrahams diende vervolgens zijn ontslag in en zwijgt tot op de dag van vandaag over zijn bevindingen. Ook Cornelissen weet niet wat het onderzoek opleverde, maar dat weerhoudt hem er niet van voormalig hoofdredacteur van Vrij Nederland Rinus Ferdinandusse als schuldige aan te wijzen.

Discretie is niet de belangrijkste kwaliteit van Igor Cornelissen. Zijn loslippigheid heeft charmante kanten, maar ook kwalijke. Niet alleen ex-collega's worden belachelijk gemaakt of belasterd, ook over bij naam en toenaam genoemde vrienden en ex-geliefden blijft geen akelig intiem detail ons bespaard. Veel wordt vergoed door Cornelissens humor, maar die neemt niet weg dat de roddel en achterklap afbreuk doen aan zijn betrouwbaarheid als journalist en geschiedschrijver.

Igor Cornelissen: Terug naar Zwolle, Dwarsliggers en ander volk. Nijgh & Van Ditmar, 328 blz. ƒ49,95