Dood in aantocht

Dreigende luchten zijn het handelsmerk van Carel Willink. Hij overleed kort nadat hij voor het eerst een reepje zomers blauw schilderde.

Willink is bovenal een schilder van luchten. Natuurlijk staat er altijd wel iets op de voorgrond: een persoon, een dier, een standbeeld of een huizenblok. Maar wat op de voorgrond staat, is zelden van belang. Het zijn eigenlijk hulpmiddelen om de dramatiek van de luchten van Willink te versterken.

Kijk bijvoorbeeld eens naar het schilderij De Jobstijding uit 1932. De titel van het schilderij geeft ons al een eerste aanwijzing, de datum een tweede. Het is crisis in Europa en zeker in dit Duits-Belgische mijnwerkersgehucht. Op de achtergrond hoor je al de lage toon inzetten van de horrorfilm, die aangeeft dat het spannend gaat worden. Onze blik wordt getrokken naar een merkwaardig huis, paars-roze van kleur. Alle gordijnen zijn dicht. Het is ook geen woonhuis. Het is niet eens een echt huis. Het is een decorstuk van bordkarton. Aan de achterkant zitten schuine steunen om het geheel rechtop te houden. En voor het namaakhuis staat een namaakboom, precies in het midden van het doek. Er is nog nooit zo'n houterige boom geschilderd als deze: een kubuswoning in een camouflagepak.

Op de stoep rechts loopt een deftige meneer. Met zijn linkerhand houdt hij zijn jasje dicht. Het is kouder dan hij dacht toen hij de wandeling begon. In zijn rechterhand heeft hij een wandelstok en die is nodig ook, want het is heuvelachtig terrein. Hij klimt naar ons toe. Wij dalen naar hem af. Maar hij ziet niet wat wij zien. `Pas op' willen we roepen, `Achter je!'. Want van links komt een vrouw aangerend met een brief in haar hand. Hij weet nog van niets, maar wij wel. Wij weten allang wat er in die brief staat. Dat hebben we gelezen in de lucht van Willink. In de verte zijn inktzwarte regenvlagen voor de donkergrijze wolken geschoven. Het wordt noodweer. Het laatste beetje zonlicht schijnt nog even in de straat. Maar niet lang meer. We weten het, ja, we weten het allang: deze man is niet meer te redden.

Men zegt vaak dat Willink een schilder is van verhaaltjes. De literaire schilder wordt hij genoemd. Maar dat is niet terecht. Willink kan het ook zonder verhaaltjes. Hij weet ook dramatiek te bereiken zonder man, zonder vrouw en zonder boom en met een neutrale titel: Stadsgezicht uit 1934. Dat schilderij bestaat voor de helft uit lucht en voor de helft uit bakstenen. Met die ingrediënten weet Willink een Hitchcock-achtige beklemming te creëren. In dit schilderij is er geen deftige meneer die eraan gaat. Nu zijn we zelf aan de beurt.

De dichter Achterberg schrijft later een gedicht bij het schilderij: `De buitenmuren van uw dood verrezen/ vanmorgen bij 't ontwaken voor de ramen.' De dichter wordt overmand door een vreemd soort angst: de angst voor het vreemde. Niets is meer hetzelfde, alles is anders dan voordien: `Ik keek de krant in: alle eigennamen/ waren vergeten; in annonces kwamen/ adressen voor, die nergens konden wezen.' Er breekt paniek uit. Rennende voetstappen en schreeuwende stemmen van buren op de gang: `Alle huizen staan andersom. We kunnen niet telefoneren!'. Er ontstaat een hamsterwoedende gekte. De dichter rent als een bezetene de trappen af, de gangen door, naar buiten: `Op straat gekomen, hoorde ik het schuren/ van stenen tegen stenen en de dunne/ gil van een vrouw, die nog niet sterven wil.'

Zonsverduistering

Niemand wil sterven, maar het onheil staat voor de deur. De lucht is zwart en de barometer staat op onweer. Het zonlicht achter ons schijnt fel op de geel-roze gevels. Het is het licht van de zonsverduistering van eind 1999. De dag van de eclips, de dag waarop we de Rotterdamse dichter Theo Verhaar naar het kerkhof van Oud-Kralingen dragen. John Buisman zingt Angel Eyes. Tussen de oude bomen en de grafstenen valt een onwezenlijk licht, killer dan anders. Het is de kilte van Willink. Het onweer op het schilderij heeft de andere zijde van het ommuurde voetbalveld al bereikt. Nog even kunnen we de glinsterende straatklinkers zien. We horen de stenen schuren tegen de stenen. We kunnen ze gaan tellen. Maar ver komen we niet. We kunnen ook gaan gillen, net als die vrouw. Maar dat helpt niet. Dood en verderf zijn in aantocht. Zoals het hele leven van Willink een dood in aantocht is.

Willink werd geboren op 7 maart 1900 in Amsterdam. Heerlijk, beroemdheden die in een dubbelnul-jaar zijn geboren. Net zoals die andere Karel, uit 1500. Zonder te rekenen weet je hoe oud ze zijn in een bepaald jaar. Dat verstevigt ook de band tussen leeftijd en jaartal, en daardoor tussen individu en historie. Bij Willink is er zeker een nauwe band met zijn tijd. Zoals Achterberg woorden geeft aan een tijdsbeeld, zo geeft Willink beelden aan een tijdsgevoel. En het lot van Willink is dat hij leefde in een onheilspellende twintigste eeuw, met twee wereldoorlogen en één koude. Wie zijn werk langs loopt komt geen lachje tegen. Zelfs de vele portretten die Willink maakte zijn van een bloedserieuze ijzigheid. Het zijn portretten van belangrijke en verantwoordelijke mannen. Mannen als dr.ir. S.G.J.M. van Schaijk, J. van Beuningen, F. Fentener van Vlissingen, minister C.P. Stikker, ir. L.A.H. Peters, oud-minister en behangen met grootkruizen, A.S. de Muinck Keizer, ir. L. Keus, F.A.L. van den Bergh senior en junior, mr. Charles M.J.H. Hustinx, J. Krayenhoff, T.J. Twijnstra, prof.dr. F.J.Th. Rutten, mr. J.J.G. Boot, burgemeester van Hilversum en mr. N. Dubrot, oud-gouverneur van de Nederlandse Antillen. Het zijn stuk voor stuk imposante mannen; regenten van de Nederlandse wederopbouwperiode. Opvallend is dat het merendeel van hen poseert voor een open raam, waardoor de kijker een blik wordt gegund op het bedrijf of de stad van de geportretteerde. En natuurlijk op een dreigende lucht daarachter.

Tussen de portretten van de captains of industry is ook een schilderij van de prins der dichters A. Roland Holst, geschilderd in 1948. De oorlog is voorbij, dus tijd voor vrolijkheid. Maar nee, de lucht is weer donker en dreigend, op zijn Willinks. Roland Holst kijkt naar een punt rechts achter ons. Kilometers ver achter ons. Maar wij zijn gefixeerd op de breisteken van de trui van de dichter. Eén rechts, één averechts glijdt onze blik langs het doek. Van onder de trui van Roland Holst komt een groene stropdas omhooggekropen. De das wurgt zich om de hals van de dichter. De kraagpunten van het overhemd vertonen vreemde kreukels door de strakte van de das. Roland Holst snakt naar adem. In zijn ogen zien we een zee van angst en treurigheid.

Bij de dood van Slauerhoff schreef Roland Holst: `De dankbare zachtheid, die hij steeds verbeet,/ komt nog een uitweg door zijn ogen vinden/ en heeft de ellendescherven weer tot leed,/ het goede leed van wie vergeefs beminden.' Die tekst lezen we ook in de donkere wolken achter Roland Holst. Vrolijkheid zal er nooit zijn, het goede leed is het hoogst bereikbare. Het goede leed voor diegenen die hun hele leven vergeefs hebben bemind.

Vrouwen

`Ik ben geen vrouwenliefhebber. Maar ik kan ook niet zonder vrouw', zegt Willink in een interview. Het is een korte samenvatting van zijn leven. Hij is viermaal getrouwd en al zijn vrouwen poseerden meerdere malen voor hem: Mies van der Meulen, Wilma Jeuken, Mathilde de Doelder en Sylvia Quiël.

Mies van der Meulen poseert in 1926 als Ariadne. Het is een van de eerste realistische schilderijen van Willink na een abstracte jeugdperiode. Vanaf het begin van zijn studie aan de Internationale Schildersschool in Berlijn is zijn stijl kubistisch en constructivistisch, onder invloed van schilders als Kandinsky, Lissitsky en Kurt Schwitters. Beïnvloed door het werk van Léger verschijnen rond 1924 weer figuratieve elementen in zijn schilderijen en vanaf 1925 tot zijn dood in 1983 is Willinks werk realistisch, dat wil zeggen, we snappen weer wat hij schildert: luchten. Op het schilderij Ariadne is daarvan nog maar weinig te zien. Er is alleen een smalle bovenrand met regenwolken. De kleuren zijn geel, groen en bruin, en ze mengen zich tot een angstaanjagende zwaveldamp. Het huwelijk met Mies van der Meulen duurde nog geen twee jaar. Toen was het over en uit. Veel meer lucht is er te zien op het schilderij met de Rustende Venus van 1931. Zijn tweede vrouw, Wilma, drijft als Venus in een lila-blauw-witte gloed van waterdamp. Krijtwitte mistvlagen hangen voor een koude lichtblauwe ochtendlucht. Overal is lucht. Voor jaren is er lucht. Een koude lucht, die Willink later kameraadschap zal noemen. Wilma overlijdt in 1960. Enkele jaren later huwt Willink met Mathilde de Doelder, die verschillende keren voor hem poseert. In Mathilde tussen de monsters uit 1966 zien we haar, terwijl een verschrikkelijk noodweer losbarst aan de overkant van het meer. Zwarte slierten wolken voegen zich samen tot de slurf van een wervelstorm. Op de voorgrond schijnt nog een laatste restje zon. Er is nog wat warmte, maar niet voor lang. In 1975 breekt Willink met Mathilde en kiest voor Sylvia Quiël, die hij in 1977 schildert als Rustende dryade. Op dat schilderij zien we op de achtergrond een smal reepje lucht tussen de hoge bomen. Het is een stralend blauwe lucht met lieve kleine witte wolkjes. Het is eindelijk zomer op een schilderij van Willink. Zijn hele leven heeft Willink toegewerkt en toegeleden naar dit moment van blauwe zonnigheid. Het is een van zijn laatste schilderijen. In 1983 overlijdt hij in Amsterdam.

Dan komt hij tot een stilte die overal in zijn werk is te zien. Stilte, maar geen gewone stilte. Het is de zojuist stil gevallen beweging, die je kent van een kinderspel van vroeger. Je gooit de bal hoog tegen de muur en vanaf de andere kant van het plein komen de andere kinderen aangerend. Zo plotseling mogelijk draai je je om, maar net als je kijkt staan alle kinderen stil. En wie niet op tijd stilstaat (`Jij bewoog'), die is `af'. Die moet terug naar de andere kant van het plein en opnieuw beginnen. Bijna iedereen staat stil op de schilderijen van Willink.

Halverwege een beweging, dat wel, maar stil. Alleen het meisje met de brief, dat meisje met die verschrikkelijke jobstijding, dat meisje beweegt. Zij moet terug naar de overkant van de straat. Zij moet opnieuw beginnen. Maar de rest staat stil. Hijgend, dat wel, maar stil. Je kunt je duizend keer omdraaien, binnenkort, in het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Probeer het maar. En elke keer als je je omkeert en kijkt, staan ze stil. En niemand is af.

`Carel Willink, portret en architectuur'. T/m 12 juni in Museum Boijmans Van Beuningen, Museumpark 18-20, Rotterdam. Open: di t/m za 10-17u, zo 11-17u.

`De Eeuw van Willink'. T/m 2 juli in het Frisia Museum, Spanbroekerweg 162, Spanbroek (bij Hoorn). Open: ma t/m zo 10-17u