Diergeneeskunde 1951

Het losgebroken stiertje was in het moeras naast de zandweg gelopen. Het achterlijf stak nog omhoog, maar de voorpoten waren weggezonken en de kop lag op het modderoppervlak. Twee jonge mannen hadden een touw om de horens gebonden en probeerden het naar de harde grond te trekken. Naast de stier lag een ladder waarover ze bij de kop waren gekomen.

Ik reed er toevallig langs als waarnemer van de dorpsarts en stapte uit. Een toekijkend mannetje zei somber: ,,Ik zou mit em naar het slachthuus!''

Ik riep tegen de mannen: ,,Dat wordt toch niks zo! Als jullie de kop te ver achterovertrekken breek je z'n nek. We moeten hem aan zijn áchterlijf eruit slepen.''

De mannen keken me argwanend aan, lichtten hun pet en krabden met dezelfde hand in hun bezwete haar. Ik had het als jongen eerder gezien. In de stokoude Oldsmobile, die de huisarts er voor de waarnemers op na hield, vond ik een zware sleepkabel met een stuk ketting er aan.

De mannen waren minder wantrouwig geworden en deden wat ik zei: het touw dubbel om de buik en over de rug van het dier slaan, vlak voor de achterpoten. Ze werden er pikzwart door, maar dat lachten ze weg.

De tijd drong. De stier begon modderbellen te blazen. De Oldsmobile werd met zijn voorkant naar hem gericht en de sleepkabel aan het chassis vastgemaakt.

Ik ging achter het stuur zitten en reed centimetersgewijs achteruit. De constructie kwam met een nog iets te harde ruk strak te staan, maar het touw hield. De vijfhonderd kilo's van de stier kwamen in beweging. Het leek of het lichaam een eind werd uitgerekt, maar daarna kwamen borst en hals omhoog. De kop ging nog een keer helemaal onder in de blubber, maar dat duurde niet langer dan twee seconden.

Toen het dier grotendeels boven vaste grond was gekomen, werd het onbedoeld zijdelings uit balans getrokken en viel met een doffe dreun op zijn linkerzij. De Olds trok nog even door tot het hele dier als een zwarte duivel op het gras lag. Het reutelde diep in zijn binnenste. De ene man gooide ketting en sleepkabel in de kofferruimte en de ander wreef met bosjes gras de modder uit neus en ogen.

Na een paar minuten maakte de stier aanstalten om overeind te komen, waar hij bij de derde poging in slaagde. Hij bleef wijdbeens in dezelfde houding staan, kennelijk aan het eind van zijn krachten, of omdat zijn heupgewrichten te veel pijn deden.

,,Moet hij nou nog naar het slachthuis?'' vroeg ik aan het tandeloze mannetje.

,,Nim em maar mit naor huus, ome Gerrit'', zei de ene man vaderlijk, ,,het slachthuus is nou toch dicht!''

De oude knikte. De stier had er één levensdag mee gewonnen. Hij liet zich welgevallen dat de oude hem geruststellend in zijn oor mompelend aan een dun touwtje wegleidde. Gaandeweg werd zijn slingerende stap stabieler en begon het gedempte getik van de runderhoeven op het asfalt een normale klank aan te nemen.