De papegaaienbuurt

In Drachten kreeg De Stijl-kunstenaar Theo van Doesburg de kans om een blok woningen, een schoolgebouw en zelfs tuinen in kleurvakken op te delen. Het werd een debacle. In Utrecht en Otterlo is nu een overzicht aan hem gewijd.

De kunstenaar Theo van Doesburg was maar 1 meter 61 lang. Voor zo'n onderdeurtje had hij flinke voeten – schoenmaat 42 – en ook een forse kop. Zoals op foto's te zien is, wist hij zijn sjaal even arrogant om zijn hals te slaan als architect Cees Dam en ook zijn brutale lippen doen een beetje aan Dam denken.

Maar Theo van Doesburg was niet alleen een brutaal en provocatief kereltje, hij was ook impulsief, geestig, gevoelig en ernstig. Wie zich met hem bezighoudt tuimelt van verbazing in ontroering en schiet vervolgens in de lach. En steeds weer denk je: hoe kreeg hij het voor mekaar.

Hoe was het mogelijk dat museumdirecteuren serieus ingingen op zijn wens om bij exposities van zijn werk altijd een zwart-wit naast een gekleurd schilderij te hangen, om en om, zonder dat hij ook maar hoefde uit te leggen waarom dat nodig was? Hoe kreeg hij architecten zo gek dat ze hun scheppingen ondergeschikt maakten aan zijn schilderkunstige toevoegingen van gekleurde vlakken waarmee hij brave huizenblokken in rijtjes kakelbont veranderde? Hoe kon hij als dadaïst de `zin van de onzin' verdedigen en tegelijk een aanhanger zijn van Mondriaans stramme theorieën over het `evenwicht der tegendelen'? En hoe kreeg hij het nu, in 2000, nog postuum voor elkaar dat zijn overzichtstentoonstelling zo veelomvattend is dat die over twee musea verdeeld moest worden?

Het moet het typisch Van Doesburgse aplomb zijn geweest waarmee hij iedereen die met hem te maken kreeg voor zijn karretje wist te spannen – of tot vijand maakte, want dat gebeurde ook.

Onder invloed van Mondriaan wilde Van Doesburg omstreeks 1920 in zijn kunst de `universele harmonie' verbeelden en net als Mondriaan meende hij dat dit alleen kon door `tegendelen', zoals horizontaal of verticaal gerichte kleurvlakken, met elkaar in evenwicht te brengen. Mondriaan en Van Doesburg zagen zichzelf als wegbereiders van een `maatschappij van evenwichtige verhouding' waarin alle tegenstellingen opgeheven zouden zijn en waarin een harmonieuze eenheid zou heersen.

Mondriaan beperkte zich in zijn streven naar een beeldende harmonie tot schilderijen, maar Van Doesburg wilde het grootser aanpakken. Al vanaf 1917 had hij samengewerkt met architecten omdat hij de leefomgeving van de mens tot een soort totaalkunstwerk wilde maken: `(-) een in elkaar grijpende eenheid van huis en onderdelen tot postpapier toe', zoals hij in 1919 aan architect Oud schreef. Bij het tot stand brengen van deze omgevingskunst moesten volgens hem niet de architecten, maar de schilders het voor het zeggen hebben.

Van Doesburg geloofde heilig in zijn megalomane idealen en in augustus 1921 meldde hij met grote stelligheid in het blad De Stijl: ,,Een nieuwe wereldbeelding is thans aangevangen.'

De nieuwe wereld zou voor Van Doesburg allereerst gestalte krijgen in het Friese Drachten. Hij had net een maand eerder, in juli 1921, de opdracht gekregen om daar een blok `middenstandswoningen' van kleur te voorzien, of, zoals het heette, er `kleuroplossingen' voor te vinden. In zijn enthousiasme beperkte hij zich niet tot het blok woningen, hij kleurde ook een schoolgebouw aan de overkant en wilde zelfs de tuinen bij de woningen onderwerpen aan de wetten van de Nieuwe Beelding. Planten, bomen en struiken moesten, geheel volgens de regels van De Stijl gerangschikt naar kleur en gegroepeerd in strakke vakken, deel worden van de wereldharmonie.

Het Drachtense experiment zou uitlopen op een debacle – een tragisch debacle, gezien de tomeloze energie waarmee Van Doesburg eraan gewerkt had.

Einstein

Op 19 april 1920 zat Van Doesburg in zijn atelier aan het Leidse Galgewater. Hij zag een schuitje voorbij varen met daarop een man in een blauwe kiel. ,,Hij haalt iets zwart-wits te voorschijn, het is 'n poesje...hij heft het poesje op...ik zie hoe hij het plotseling onder water dompelt...het naar omlaag drukt, en wacht...Dan haalt hij een slap voorwerp naar omhoog...aan de witte pooten herken ik het voorwerp van zoo straks...hij bergt het nu zorgvuldig op (-)...Dan vervolgt hij zijn weg door het water...alsof er niets gebeurd was-

Ik schrijf maar weer `kalm' door en denk dat dergelijke experimenten als met die kat bij het Galgewater behoren.'

Van Doesburg beschreef de poezenmoord in een brief aan Evert Rinsema, een filosofisch ingestelde schoenmaker uit Drachten die hij in 1914, aan het begin van de Eerste Wereldoorlog, had leren kennen toen zij beiden gemobiliseerd waren in Brabant. Van Doesburg zou Van Doesburg niet zijn als hij niet in dezelfde brief van 19 april 1920 repte over de Euclidische meetkunde, Einstein, Ruimte en Tijd, Shakespeare, De Stijl, Dada en, natuurlijk, over de `nieuwe kunst' voor `de nieuwe samenleving'. Hij wist Evert Rinsema al snel te winnen voor zijn ideeën. Rinsema bracht hem in september 1920 in contact met de Drachtense architect C.R. de Boer (1881-1966), die net bezig was met het ontwerpen van het blok middenstandswoningen en een `landbouwwinterschool' aan de overkant van de straat.

De Boer wilde graag samenwerken met Van Doesburg, want, zoals Rinsema schreef: ,,Het nieuwe wil er bij hem wel in.' Van Doesburgs bemoeienis met het woningblok beperkte zich aanvankelijk tot adviezen over het ontwerp. Nadat hij dit had voorgelegd aan architect J.J.P. Oud schreef hij in het najaar van 1920 enkele lange brieven aan De Boer waarin hij hem aanraadde om de erkers van de huizen rechthoekig te maken, de bakstenen in de buitenmuren wit te pleisteren `en de deuren en al het houtwerk er in pittige kleuren in te zetten'. En passant onderwees hij De Boer in zijn brieven over het `nieuwe streven' en het `modern besef': ,,Met modern besef zal men genoodzaakt zijn een harmonie tusschen ruimte, vorm en kleur te verwerkelijken.' Als een schoolmeester legde hij uit waarom symmetrie in de Nieuwe Beelding uit den boze was: ,,Zoals u misschien weet huldigen wij de asymetrie, daar symetrie (-) een doode, gesloten eenheid is, terwijl levende harmonie bereikt kan worden door evenwichtige verhouding van ongelijkheden.'

De Boer moet danig onder de indruk zijn geweest van Van Doesburgs revolutionaire inzichten. Hij vroeg hem niet alleen om de woningen van binnen en van buiten van kleur te voorzien, hij gaf hem ook de opdracht glas-in-loodramen voor de landbouwschool te ontwerpen en de kleur te bepalen voor de deuren en kozijnen aan de buitenkant.

Van Doesburg begon in de zomer van 1921 met het interieur van de woningen. Het liefste had hij behalve van de wanden en het houtwerk ook meteen de kleur van tapijten, meubels en gordijnen bepaald, maar, zo moest hij in een brief aan De Boer toegeven: ,,Zoover zijn we nog niet.' Voor elk vertrek zocht hij een `goede, harmonische distributie der kleuren'. De wanden werden in witte en grijze vlakken verdeeld, de deuren in de `meest harmonisch samenklinkende kleuren rood, geel en blauw' geverfd. Schoorsteenmantels, aanrechtkastjes, vloeren – niets ontsnapte aan zijn aandacht en zelfs de `trapschroten' wilde hij met kleur `graag wat bezieling geven'.

In september 1921 was Van Doesburg klaar met de interieurs en liet hij aan De Boer weten: ,,Ik ga nu aan de buitenboel beginnen.' Ook hier betrachtte hij de uiterste precisie. De primaire kleuren blauw, rood en geel werden in de verhouding 8:5:3 verdeeld over deuren en kozijnen. Zo werden bijvoorbeeld de erkerkozijnen blauw, de voordeur rood en het luifeltje daarboven geel (`vooral geen napelsgeel!'). De gootlijsten moesten van voren grijs en van onderen wit worden, de kozijntjes van de dakkapellen zwart. Omdat de buitenmuren tot Van Doesburgs verdriet toch van baksteen waren en niet witgepleisterd, moest om de rode en gele raamkozijnen een witte rand worden geschilderd zodat de kleuren `loskwamen' van de bruine stenen.

Meteen na de `buitenboel' van de woningen stortte hij zich op de landbouwschool die er pal tegenover aan de Torenstraat stond. Het was nu zaak om de schoolkleuren `in harmonie te brengen met de huizen' en daarvoor vond Van Doesburg, zoals hij aan De Boer schreef, `een sublieme oplossing': de schooldeuren en kozijnen zouden in de `secundaire drieklank' groen-violet-oranje worden geschilderd, weer in de verhouding 8:5:3 met zwart en grijs als `begeleidingskleuren'. Juist door de tegenstelling in kleur zouden het huizenblok en de school samen een volmaakte eenheid vormen, redeneerde Van Doesburg.

Weerstand

Terwijl hij bezig was met zijn kleurontwerpen bleef Van Doesburg, die in 1921 en '22 in Duitsland woonde, met De Boer corresponderen. De Boer ondervond in Drachten nogal wat weerstand tegen Van Doesburgs kleurdictaten, maar van Doesburg hield de moed er in en wees er steeds weer op dat `de lui' zich `in den beginne' altijd tégen het nieuwe keren, maar dat ze er `dol mee zijn', `als ze er eenmaal in leven'. Aanvankelijk leek hij daarin gelijk te krijgen. Evert Rinsema, die het project op de voet volgde, liet eind 1921 weten dat de eerste bewoners lappen op de deuren wilden hangen, maar ze nu toch wel mooi vinden. Als alle woningen in april 1922 klaar zijn, meldt De Boer dat ze er `in volle frisheid' bijstaan en het voor hem een genot is om ze te zien.

Maar dat was het niet voor iedereen. In de Drachtster Courant verscheen najaar 1921 al een fel protest tegen het woningblok. Van Doesburg kwam in december 1921 naar Drachten om zijn ontwerp in ogenschouw te nemen en hoewel het nog niet voltooid was, vond hij het resultaat `enorm'. Hij hield een lezing over `De kleur in onze woning' en discussieerde met tegenstanders, maar het had een averechtse uitwerking en het verzet nam alleen maar toe. Architect De Boer vertelde later aan K. Schippers, die hem citeerde in zijn boek Holland Dada (1974), dat er `haast een oproer' was, `toen de kleuren op de huizen zaten'. ,,Over het algemeen zijn de mensen hier te ernstig voor die dingen.'

Al enkele maanden nadat het blok in april 1922 was opgeleverd werd het rood, blauw en geel overgeschilderd in neutrale tinten. Ook het oranje, groen en violet van de landbouwschool werd weggeverfd. Het enige dat standhield was de bijnaam die het wijkje intussen had gekregen: de `Papegaaienbuurt'.

Plantenlijst

Toen de kleuren eenmaal van het huizenblok waren verwijderd was er geen denken aan dat Van Doesburgs ontwerp voor de bijbehorende tuinen nog zou worden uitgevoerd. Het moet een bittere teleurstelling voor hem zijn geweest, want hij had er veel werk van gemaakt. Hoewel er in het 15-jarig bestaan van het blad De Stijl (1917-1932) bij mijn weten slechts eenmaal een tuin in ter sprake kwam, liet Van Doesburg in september 1921 aan De Boer weten: ,,Tuinen zijn heel belangrijk in de moderne opvatting.' Al een maand later zette hij zich aan het ontwerp van de `middenstandstuintjes'. Omdat hij niets van planten wist, liet hij door een vriend, de dichter Anthony Kok, een lijst opstellen van rode, blauwe, gele en witte gewassen met hun bloeitijden.

De plantenlijst is bewaard gebleven, evenals het ontwerp van Van Doesburg – het enige ontwerp voor een Stijl-tuin dat ooit gemaakt is. Zelfs Rietveld, die bij het Rietveld Schröderhuis in Utrecht de Stijl-principes in 1924 tot in de kleinste latjes doorvoerde, liet de tuin om het huis ongemoeid – daar mochten de bomen in al hun grilligheid groeien. Zo niet in de tuinen van Van Doesburg. Hij tolereerde slechts enkele `sterk verticale bomen' aan weerszijden van twee zwart-wit betegelde voordeurpaden. Die bomen moesten de `horizontale lijn van de architectuur beantwoorden'.

Het tuinontwerp is een compositie van kaarsrechte muurtjes, heggen en paden, rechthoekige perken en grasveldjes, enkele banken en – op het vierkante grasveldje bij een hoek van het blok – een `strenge tuinvaas' van een paar balkvormen. De bloemperken weerspiegelen de indeling van de gevel en de bloemen worden geacht in precies dezelfde kleurverhouding te bloeien als de verhouding van de kleuren op de huizen, dus blauw, rood en geel als 8:5:3. Zelfs de witte lijsten om de raamkozijnen vinden hun tegenhanger in de tuin, in de vorm van stroken witte bloemen langs de perken. Bij de hoeken van het blok tekende hij als `dissonanten' enkele vakken met violette en oranje bloemen tegenover rode, blauwe en gele perken.

Van Doesburg noemt slechts twee planten bij naam: margrieten (voor de witte stroken) en zonnebloemen die hij links en rechts van de tuinhekjes zette en in enkele afzonderlijke gele vakken. Hij lijkt er niet bij stil te hebben gestaan dat zonnebloemen maar een maand lang bloeien en dat de tuin dus maar een klein deel van het jaar aan zijn ontwerp zou voldoen. En hoe wilde hij al die andere bloemvakken vullen? Kok geeft in zijn lijst, die keurig is onderverdeeld in bol- en wortelgewassen, zaaibloemen en klimplanten, genoeg voorbeelden van rode, gele en blauwe bloemen. Maar moest bijvoorbeeld een blauw vak alleen gevuld met blauwe hyacinthen, of ook met anemonen en anchusa zodat er de hele zomer wat blauws in stond? Dat is onduidelijk. In zijn toelichting in een brief aan De Boer meldt van Doesburg slechts: ,,Alle kleuren kunnen in bloemsoorten gevonden worden' en hij verwijst naar de lijst. Over de afzonderlijke bloemvormen zegt hij niets. Het moet hem gestoord hebben dat bloemen zelden rechthoekig bloeien en hij concentreerde zich dan ook uitsluitend op de kleur.

Waarschijnlijk heeft Van Doesburg niet beseft hoe priegelig zijn ontwerp er in werkelijkheid zou uitzien. De tuinen om het blok waren smal en met al die heggetjes, muurtjes, paadjes, grasveldjes, vakken en stroken zouden het een soort poppentuintjes zijn geworden.

Het was dan ook geen wonder dat het gemeentebestuur van Drachten de tuinen maar achterwege liet toen het in 1988 het initiatief nam om het huizenblok en de landbouwschool – als culturele trekpleister – opnieuw in de Van Doesburg-kleuren te laten schilderen.

Kraakpand

De argeloze bezoeker van de Papegaaienbuurt, zoals het wijkje nog altijd wordt genoemd, schrikt zich te pletter. Toen ik er op een zondag in februari was, wist ik nog nauwelijks iets van de geschiedenis van het blok en de school. Ik dacht dat de Papegaaienbuurt een vogelwijk was en realiseerde me niet dat daar geen Torenstraat in thuishoort. Ik zag het huizenblok met de knalrode deuren, kanariegele luifels en blauwe erkers en dacht aan legostenen. De landbouwschool met de oranje, paarse en groene kozijnen leek op een kraakpand en ik veronderstelde dat dit een melig commentaar was op de helle kleurtjes aan de overkant. Een snerpender contrast was niet denkbaar. Of had Van Doesburg het werkelijk zo vies bedoeld en moest dit een `eenheid' voorstellen?

Nee, zo leerde ik al gauw. Jaap Bruintjes, directeur van het Drachtense Museum Smallingerland, waar de tuin- en gevelontwerpen die nu voor de Van Doesburg-expositie zijn uitgeleend, gewoonlijk zijn te zien, weet zeker dat de kleuren op het huizenblok `veel te schel' zijn. Bovendien is er sinds 1988 nooit meer een gemeenschappelijke schilderbeurt van het blok geweest. De bewoners houden het zelf zo'n beetje bij, niet iedereen doet mee en er zijn dan ook her en der haperingen in de kleuren.

Bruintjes: ,,De gemeente zegt: `We kunnen de bewoners niet dwingen om zich aan Van Doesburgs kleuren te houden.' Ik zeg: Vergeet Van Doesburg dan maar en doe het helemaal niet. Zoals het nu is, biedt het wijkje een treurige aanblik.'

Arme Theo van Doesburg. Terneergeslagen liet hij in 1923 aan Evert Rinsema weten: ,,Lam dat je alleen théoretisch en niet praktisch tot de verwerkelijking van je idealen komt.'

De overzichtsexposities van Theo van Doesburg zijn vanaf zondag te zien in het Centraal Museum te Utrecht en het Kröller-Müller Museum in Otterlo, t/m 18 juni. Van het boek `Holland Dada' door K. Schippers verschijnt op 22 maart een herziene en uitgebreide tweede druk. Prijs ƒ 62,50.