De mol

Max en Vera werden wakker met een mol in de tuin. Dat hadden ze nog nooit meegemaakt. Het was Max die als eerste opstond en toen hij de gordijnen open had geslagen, schrok hij zich een hoedje. Het hele grasveld lag vol met allemaal even hoge bergjes modder. Max maakte meteen Vera wakker en samen verbaasden ze zich over hun vreemde tuin. Het leek wel alsof het gazon puisten had gekregen.

,,We hebben een mol'', concludeerde Vera na een tijdje. Ze wist dat mollen onder de grond woonden en altijd tunnels aan het graven waren. De modder schoven ze voor zich uit, en zo kreeg je de heuvels. Maar ze had nog nooit een mol in het echt gezien.

,,We hebben wel honderd heuvels'', riep Max, die had staan tellen.

,,Gossie'', zei Vera stilletjes. Ze dacht aan de mol die onder de grond in lange tunnels woonde. Ze zou hem best wel eens willen zien.

Max en Vera gingen naar beneden. Het was mooi weer, hoewel er wel dauw over het gras lag. Ze liepen voorzichtig tussen de molshopen door. Je kon er leuk omheen dansen. De kunst was dan om er geen eentje te raken.

,,Weet je wat ik wil'', zei Vera, toen ze aan de rand van de tuin waren, ,,Ik wil die mol wel eens zien.''

,,Hij woont onder de grond'', zei Max meteen.

,,We kunnen toch proberen in zo'n tunnel te kijken'', opperde Vera voorzichtig. Ze wist dat Max soms heel beslist was, en dan wilde hij ineens niets.

Maar nu reageerde hij enthousiast. Hij holde meteen naar de schuur en kwam terug met een schepje waarmee hij bij de eerste de beste molshoop neerviel.

,,Niet die!'' riep Vera, toen Max op het punt stond het schepje in de heuvel te zetten.

Hij keek verbaasd op.

,,De heuvel beweegt!'' riep Vera, ,,de mol zit er in.'' Ze holde naar Max toe.

Het was waar!

De molshoop bewoog. Maar toen Vera naast Max op de grond neerviel, hield de heuvel op met bewegen. Een klein klontje modder rolde langzaam van de top af. Max zat er helemaal bij te rillen. Had hij bijna zijn schepje in een volle molshoop gezet! De mol had wel dood kunnen zijn.

Vera hielp hem overeind. Twee molshopen verderop gingen ze weer zitten en voorzichtig groeven ze de heuvel af. Omdat de aarde een beetje nat was van de dauw was het niet lastig om de tunnel onder de hoop bloot te leggen. Je keek zo de grond in, en dan ging de tunnel de bocht om. Er was niets te zien.

,,Een spiegel'', riep Vera, ,,we moeten een spiegel hebben, en een zaklamp.''

Max had haar nog nooit zo ondernemend meegemaakt en van schrik sprong hij op. Hij holde het huis in en vond wat ze nodig hadden. Gauw rende hij weer terug. Hij gaf Vera het spiegeltje – het was een oud handspiegeltje met een zilveren rand – en de zaklantaren.

Vera stak het spiegeltje scheef de tunnel in. Ze kon zichzelf zien, en het stuk van de tunnel dat om de bocht lag. Toen knipte ze de zaklantaren aan. Ze scheen het licht in de spiegel. Er gebeurde nog niets.

Ze wiebelde met het spiegeltje tot de lichtstraal de bocht om ging. Ineens kon ze zo de tunnel in kijken. Max keek over haar schouder mee. Ze hielden hun adem in.

,,Kijk'', fluisterde Vera.

Max keek. Precies in het midden van het spiegeltje zag hij nu een klein spits donker kopje met kleine, wat slome kraalogen. ,,De mol'', zei Max zacht. Hij was blij dat de mol nog leefde.

,,Dag mol'', zei Vera. Ze scheen via de spiegel het licht van de zaklantaren recht in zijn ogen. De mol knipperde er langzaam mee, alsof het heel lang duurde voor het licht bij hem binnenkwam. Daarna gaf hij Max en Vera een hele kleine knipoog.