De bloem van onze letterkunde

Schrijvers zijn net mensen, blijkt jaarlijks op het Boekenbal. Ooit was dat anders, getuige een fotoboek.

Harry Mulisch gaat altijd. Zijn eerste keer was in 1953, toen hij vlak na zijn romandebuut Archibald Strohalm hoog op het schellinkje van de Stadsschouwburg in Amsterdam plaats mocht nemen. Zijn volgende keer is aanstaande dinsdag; dan heeft hij als auteur van het Boekenweekgeschenk van dit jaar recht op een hele rij stoelen in theater Carré. Zonder hem is het Boekenbal niet compleet. Toen hij in de jaren zeventig een paar keer geen heil in het feestelijk samenzijn zag, werd hij naar zijn zeggen gebeld door de organisatie: of hij niet toch wilde komen – dan was er tenminste één echte Schrijver.

Toen hij zich er voor het eerst vertoonde, droeg het jaarlijkse openingsfeest van de Boekenweek nog de naam Schrijversbal. Zo was het ook bedoeld door de organiserende commissie Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek: als de door schrijvers gedragen opmaat van een promotieweek. Hoe meer bekende schrijvers zich op aandacht trekkende wijze in het feestgedruis stortten, des te meer foto's daarvan de volgende dag in de krant zouden staan – en hoe liever de cameraman van Polygoon een schilderachtige reportage zou komen maken voor de komende aflevering van het bioscoopjournaal.

Al vóór de oorlog begon de Boekenweek een paar keer met een gala-avond, met voordrachten, toneel en klassieke muziek, maar zonder bal na. Het eerste bal dateert pas van 4 maart 1947. ,,Het was een sprookje'', zegt Mies Bouhuys in het fotoboek Alle jaren feest dat de CPNB volgende week uitgeeft. ,,Buiten sneeuwde het, binnen was het een gala, alles waar je in die afschuwelijke oorlogsjaren van gedroomd had. Ik droeg mijn allereerste avondjurk – roze met zwarte tule. Mijn zus heeft uren in de rij gestaan voor die stof, want textiel was nog op de bon.'' Ze was toen twintig en verkeerde, tot over haar oren verliefd, in het gezelschap van de veel oudere Ed Hoornik. Voor hem moet het allemaal nog veel verbazingwekkender zijn geweest; nauwelijks twee jaar eerder was hij teruggekeerd uit het concentratiekamp Dachau.

De herinneringen aan die eerste jaren staan geheel in het teken van het licht na het oorlogsduister. Het leven was schraal en de borrel nog lang niet overal te koop, het schrijversbestaan werd overheerst door geldnood, de gezichten waren bleek en mager, de vooroorlogse rokkostuums hadden jarenlang in de kast gehangen en slobberden nu om de magere lijven, en ook de avondjurken waren nog van voor de oorlog of geleend of speciaal voor deze gelegenheid vervaardigd uit een ternauwernood op de kop getikt stukje stof. ,,Je moest toen nog echt in het lang en we waren doodarm, dus ik rende meteen naar een collega bij Meulenhoff waar ik toen werkte'', zegt Hanny Michaelis, die in 1948, samen met haar Gerard van het Reve, haar eerste Boekenbal bijwoonde. ,,Zij heeft mij haar avondjurk geleend, een donkerblauwe van taftzijde. Het was de eerste keer dat ik zoiets chics aan had. Gerard droeg een geleende smoking.''

Op een foto uit 1948 zitten ze samen op de trappen van de Stadsschouwburg, een pril stel met ernstige gezichten, zich ten volle bewust van het belang van dit moment. Ze horen erbij. Achter hen zien we allerlei groten uit die tijd, zoals Hoornik, Anna Blaman, de publicist Ben Stroman met zijn Elisabeth, Manuel van Loggem en de opkomende kleinschrijver Simon Carmiggelt. De trappenhuizen waren de favoriete pleisterplaats voor de elite, schreef de uitgever Willem Schouten in zijn memoires: ,,Op deze kleine amfitheaters streek de bloem van de Nederlandse letterkunde neer.'' Dat is trouwens zo gebleven: wie vorig jaar de trappen op of af wilde, moest oppassen om niet te struikelen over de cercle die zich op de trap had gevormd rond Connie Palmen, de schrijfster van het Boekenweekgeschenk, en haar Hans van Mierlo.

Verder is er wel veel veranderd. Dat begon al toen de Vijftigers brutaalweg in hun existentiële truien op het bal afkwamen, en dat liep in de loop van de jaren zestig uit op het heilloze idee dat het feest – net als de rest van de maatschappij – hoognodig moest worden gedemocratiseerd. Wat was begonnen als het Schrijversbal en in de jaren vijftig de naam Boekenbal kreeg, moest toen een Lezersfeest heten en worden georganiseerd in huiveringwekkend sfeerloze hallen als de RAI en het studiocomplex van de NOS. Het was in die periode, dat zelfs Harry Mulisch het een paar keer liet afweten.

Pas vanaf het begin van de jaren tachtig durfde het Boekenbal weer enigszins exclusief en traditioneel te zijn. Maar intussen was de opmars van de media onstuitbaar geworden. Vroeger waren de fotografen je eigen vrienden, zegt Remco Campert in Alle jaren feest – en de naamsvermeldingen in dit boek geven hem gelijk: de foto's uit de eerste decennia zijn van Carel Blazer, Maria Austria, Ed van der Elsken, Aart Klein, Cas Oorthuys en andere geestverwanten. Als zij destijds een fotoboek maakten, schreven de schrijvers daar teksten bij. Later kwamen de persfotografen, en nog weer later de cameraploegen van de vele tv-programma's, die dezer dagen allemaal hun eigen Boekenbal-reportage willen uitzenden. Elke schrijver staat tegenwoordig minstens één keer oog in oog met een camera, en Mulisch vaker.

Vijf Uur Show

En zo ontstond allengs ook het beeld van het door mediavertegenwoordigers overheerste Boekenbal. ,,Echt'', verzucht uitgeefster Tilly Hermans, ,,als je iets bij de media doet, kom je er een stuk gemakkelijker in dan wanneer je schrijver bent.'' Zelf liep ze er eens, na wekenlang soebatten over kaartjes voor haar auteurs, een vriendin tegen het lijf die voor de Vijf Uur Show werkte. De cijfers die de CPNB in januari vermeldde in een rondschrijven aan de uitgevers, tekenen de verhoudingen. Voor auteurs zijn dit jaar 300 invitaties gereserveerd, voor employés van uitgeverijen en boekwinkels eveneens 300, voor de pers 100 en voor organisatie, sponsors, overheid, collega-stichtingen, jury's e.d. de resterende 100. Gezien het feit dat elke invitatie voor twee personen staat, zijn de schrijvers inderdaad veruit in de minderheid.

Toch moeten schrijvers het Boekenbal de glans verlenen waarop de daaropvolgende Boekenweek tien dagen lang kan teren. Ze zijn er, zo bezien, niet eens in de eerste plaats voor zichzelf, ze zijn er voor de glamour van de literatuur – zoals half Hollywood jaarlijks samenkomt voor de Oscars om de filmindustrie in het zonnetje te zetten. Aan hun aanwezigheid dient het gewone volk, dat buiten moet blijven staan, zich te vergapen.

Een probleem is alleen dat de schrijvers van nu geen bovenaardse figuren meer zijn. Heren als Vic van Vriesland, Jany Roland Holst, Anthonie Donker en C.J. Kelk, door Willem Schouten aangeduid als de bloem van de Nederlandse letterkunde anno 1947, leefden in de ogen van hun lezers op een Olympus. Op de radio gaven ze wel eens een causerie, en een enkele keer kon men hen in een deftig zaaltje ook wel eens een lezing horen uitspreken. Maar verder bewogen ze zich niet onder het volk. Wie nu echter een roman schrijft, onthult op de televisie zijn diepste gevoelens, reist het land door voor vraaggesprekken en voorleesavonden, poseert en signeert. En of ze zich nu voor het Boekenbal al dan niet hebben opgedoft, of ze al dan niet dronken zijn geworden, en of ze zich al dan niet op de dansvloer hebben gewaagd – geen mens die er meer van opkijkt. Hoe meer publiciteit het Boekenbal krijgt, hoe minder bijzonder het is.

De schrijvers zijn aanraakbaar geworden, zelfs Harry Mulisch moet langzaamaan oppassen om niet te gewoon te worden.

`Alle jaren feest'. Research en eindredactie: Just Enschedé. Uitg. Stichting CPNB, 288 blz., ƒ 49,50