Askruisje slijt sneller dan carnaval

Ongeveer vijftig gelovigen hebben de regen en de harde wind getrotseerd. Ze verzamelen zich woensdagavond in de Heilige Gummarus-kerk in het Brabantse Wagenberg om het askruisje in ontvangst te nemen. Halverwege een woord- en communiedienst met koorgezang wrijft pastor José Sas een in as gedoopte duim over het voorhoofd van de kerkgangers en spreekt telkens de woorden: ,,Gedenk, o mens, dat gij stof zijt en dat gij tot stof zult wederkeren.''

Aswoensdag is het begin van de vasten, die veertig dagen duurt en met Pasen eindigt. De gewijde as, afkomstig van verbrande takken van de vorige Palmzondag, is een symbool voor boete, bekering en bezinning. Het gebruik van as is in de liturgie heel oud en een teken van rouw in het algemeen. Zo beschrijft het Oude Testament (2 Samuel 13:19) hoe Tamar (de dochter van David) na te zijn verkracht door haar halfbroer Amnon as op haar hoofd strooit, terwijl ze haar pronkgewaad in tweeën scheurt.

Vóór de elfde eeuw, zo staat in het Liturgisch Woordenboek, was het ritueel met as alleen weggelegd voor boetelingen. Zij kregen na hun openbare schuldbekentenis aan het begin van de vasten as op het hoofd, moesten een boetekleed aantrekken en dienden als straf veertig dagen in een klooster door te brengen. Toen die openbare boete meer en meer in verval raakte, sloten de vromen zich bij de boetelingen aan. Ook zij ontvingen de as – later in de vorm van een kruisje – en tooiden zich héél de vastentijd in het boetekleed. Tegen het einde van de elfde eeuw werd het ontvangen van het kruisje algemeen gebruik of zelfs een kerkelijk voorschrift.

Het halen van een askruisje is al lang geen algemeen gebruik meer; ondanks uitbundige oproepen van de pastores in de populaire carnavalsmissen op de zondag ervoor is het kerkbezoek op Aswoensdag bijzonder matig. In de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw gingen katholieken op die eerste vastendag nog massaal ter kerke. Wie op de dag na het zotte carnaval géén zwart kruisje op zijn voorhoofd had, werd zeker in Brabantse en Limburgse dorpen met een scheef oog aangekeken. Destijds probeerden veel katholieken het kruisje ook zo lang mogelijk intact te houden, soms aangemoedigd door schoolmeesters, pastoors en kapelaans die een prijs uitloofden voor de winnaars. Er waren ook verliezers: de huismoeders, die met lede ogen vaststelden dat hun hagelwitte kussenslopen wegens de zwarte vlekken al wéér in de was moesten.

,,Ik herinner me de periode van toen nog heel goed, maar van dat alles is helaas niks meer over'', zegt mevrouw H. van Gils na afloop van de kerkdienst in de Wagenbergse Gummaruskerk. ,,De mensen van deze nieuwe tijd hebben sowieso niet veel belangstelling meer voor geestelijke dingen.''

Pastor Sas wijst daar in haar korte preek Stof... Jij...? tevoren ook al met kracht op: ,,Het lichaam is tegenwoordig heel belangrijk. Op de televisie wordt dat goed duidelijk. Je moet mooi zijn. Mooie haren, mooi gezicht, sporten, bodybuilding. (...) Zonnehemels, bruin zijn is in. Allerlei baden, maskers, sauna's en seksgelegenheden. Het lichaam is koning. Als dit maar niet uit de hand loopt!''