Anders leren kijken

Een tiental verzen, maakt dat een boek? Uitgeverij Herik heeft er gelukkig geen moeite mee. Dus is er nu een tweede bundel van Joke van Leeuwen, die in 1994 als dichter verrassend debuteerde met Laatste lezers. Dat ze haar poëtische oeuvre zes jaar later met maar tien gedichten uitbreidt is jammer, maar begrijpelijk gezien haar productiviteit als tekenaar en kinderboekenschrijver. Sinds Laatste lezers publiceerde ze immers opwindende kinderboeken als Iep! en Kukel.

Kind in Brussel is niet voor kinderen geschreven, maar gaat wel tot op de bodem van de kinderziel. Wat ervaart een meisje dat, zoals Joke van Leeuwen, in de jaren vijftig met haar ouders naar Brussel verhuist? Bij aankomst al was er vervreemding: `Dit huis hield afstand, / rook nog naar wie in het Frans / thuizer dan wij hadden gedaan.' De openhaard werkte op gas, en had dus namaakblokken. De meegebrachte inboedel nam verlegen zijn plek in. Niets wees erop dat dit een veilig thuis was, maar `We schoven de stoelen bij de tafels. / We pootten de benen op de grond.'

Het kostte moeite om wortel te schieten in deze vreemde omgeving. In Brussel speelde niemand op de stoep, geen kind liep buiten. De strijd tegen verveling moest binnen gevoerd worden, en dat kwam neer op een eenzaam kijkspel, door Van Leeuwen eigenzinnig verwoord als:

Ik keek mij naar de overkant

of daar soms iemand was die

hoorde bij de stad en keek

of aan de overkant ik mij

verbeeldde dat. Daartussen

lag de straat, buiten het binnen.

Niemand was er bezig met beginnen.

Gelukkig kwamen er woorden op bezoek. Vreemde woorden, zoals `ieverans' en `seffens'. En vooral ook `goesting'. Woorden die een eigen leven gingen leiden of, zoals `gij', zonder hoofdletter veel kleiner bleken dan geloofd. Maar hoeveel woorden er ook op bezoek kwamen, zonder Frans stond je met de mond vol tanden.

Ik ging daar naar een winkel om

iets wat bestond te kopen.

Ze konden mij daar niet verstaan,

dus wees ik kleur aan, zweeg hoe hol,

boog ik hoe rond, trilde hoe licht,

bewoog ik hoogte, lengte, breedte.

Ze zeiden: wiewie wiewiewie

en legden heel hun toonbank vol

met veel wat ik niet wilde.

Ik moest naar huis terug. Ik moest

er woorden bij. Maar hoe te weten

of wat ik in mijn woorden zei

en zij in hun taal anders ook

in hun taal net zo heette.

Van Leeuwen weet hoe ze lezers in haar verwarring kan laten delen. In de laatste zin van dit vierde gedicht uit Kind in Brussel valt geen moeilijk woord. Geen woord is zelfs langer dan twee lettergrepen. Maar die eenvoudige bewoording volgt, zonder syntactische truukjes, het kronkelspoor van een redenering die in zichzelf verdwaalt. Ongetwijfeld heeft de dichter zich al schrijvend herinnerd hoe ingewikkeld ze het taalprobleem als kind ervoer, maar haar idioom is niet dat van een kind. Van Leeuwen imiteert het taalgebruik van een acht- of negenjarige, maar doet dat met de ervaren pen van iemand die de afloop kent. En diezelfde pen ook schreef de verbaasde openingsregels: Ik ging daar naar een winkel om `iets wat bestond' te kopen.

Dit quasi-kindse idioom verwoordt in elk van de tien gedichten een nieuwe verwondering. In het zevende vers vertelt Van Leeuwen hoe ze op een dag de weg kwijtraakte. Ze was `veel kleiner dan de stad' en werd door alles wat haar ogen zagen overweldigd. `Ik vergat de weg / die ik niet had geleerd en / liep verkeerd.' De redding kwam van een oude vrouw, die vroeg of ze met haar op wou gaan, `want anders viel zij om.' En zo liepen ze samen verder. `Zij wist de weg, ik droeg haar oude botten.'

Het anekdotische gehalte van Kind in Brussel is hoog. Van Leeuwen vertelt over de spelletjes die ze bedacht, over gymles op school en een bezoek aan het Atomium, maar elk van die verhaaltjes is vooral ook een oefening in anders kijken naar het alledaagse. De voor een Nederlands meisje verwarrende Belgische hoofdstad is een toepasselijk decor, dat extra eenheid brengt in de reeks. Maar het is vooral de speelse verwoording die deze bundel zo goed en eigen maakt als hij is.

Joke van Leeuwen: Kind in Brussel. Herik, 44 blz, ƒ28,90

Nederlandse literatuur