Vader

Het telefoontje komt toch nog onverwachts. Of ik zo snel mogelijk wil komen, het gaat niet goed met vader. Maar wat is snel vanuit Den Helder. Met de trein doe ik er vier uur over en met de taxi zit ik in de file. Dan maar een vliegtuig. Ik bel marinevliegkamp De Kooy. Voor een redelijke prijs kan ik mee in een lesvliegtuigje. De piloot wil mij wel naar Rotterdam brengen. Ik kruip achterin de staart. We vliegen langs de kust, maar van het uitzicht genieten kan ik niet. Mijn gedachten zijn bij het laatste bezoek. Bij aankomst staat er een taxi gereed. Ik vraag de chauffeur zo snel mogelijk te rijden. We draaien de snelweg op. Plotseling moeten we vaart minderen. Voor ons rijdt een lijkwagen. En dan weet ik dat je de dood toch nooit kunt inhalen.