Trou moet blijcken

En durft gij mij

En durft gij mij van dichten spreken,

die nimmer zijt in staat

twee reken

te rijmen dat het gaat!

Het dichten is van God gegeven,

maar niet aan elke ende een

in 't leven;

de kunste is niet gemeen.

Laat bloeien al die roos mag wezen,

spruit helder, zijt gij bron;

maar dezen

die ton zijn blijven ton!

De miere en zal geen peerd heur wensen,

de krieke geen radijs;

de mensen

alleen zijn niet zo wijs.

Zo, elke ende een het zijn! Soldaten

het buskruit, zo 't behoort,

gelaten,

en Dichteren het woord!

Guido Gezelle (1830-1899)

Een dichter verdedigt zijn vak. Hij dient in dit gedicht al degenen van repliek die een grote mond opzetten over poëzie zonder dat ze zelf in staat zijn ook maar twee regels behoorlijk op elkaar te laten aansluiten. Het klinkt uitdagend, zoals de dichter inzet, bijna met de bokshandschoenen aan –

En durft gij mij...

– dat juist jij het lef hebt, blaaskaak die je bent. Jij die nog geen gaap op slaap kan laten rijmen. De dichter klinkt zelfs geïrriteerd. Wat is er zojuist in het leven van Gezelle gebeurd? Een standje van de superieur? Een laatdunkende opmerking uit ambtelijke of politieke hoek? Een slechte recensie?

Hoewel later gepubliceerd, moet Gezelle al omstreeks 1870 aan dit gedicht begonnen zijn. Dat was juist in een periode dat hij met veel mensen overhoop lag. Om politieke, financiële, psychologische redenen. Een notabel van het bisdom zal wel eens terloops iets smalends over zijn poëzie hebben gezegd. 'n Vulgair, amuzisch type uit de kerkfabriek zal wel eens iets hebben laten vallen over dat pastoorke dat ook rijmkes schreef. Het hele gedicht maakt in elk geval de indruk dat het een reactie op een actuele gebeurtenis is, zo fris van de lever klinkt het, zo fel en bijna gebeten.

Het wordt een ongeëvenaarde strafexpeditie. Zelfbewust richt Gezelle zich uiteindelijk tot alle vijanden van de poëzie. Fier stelt hij de dichters tegenover de niet-dichters –

Het dichten is van God gegeven,

maar niet aan elke ende een

in 't leven;

de kunste is niet gemeen

– niet aan elke ende een, het klinkt als: niet aan jan en alleman. Strak en straf geselt de dichter hier met woorden. Ontwaren we iets van een superieure, genietende trek om zijn lippen?

de kunste is niet gemeen

– de kunst is geen gemeenschappelijk bezit, of liever: de kunst is niet voor het vulgus. Die zit.

De dichter laat duidelijk merken dat hij de smalers op poëzie maar grofbewerktuigde personen vindt, dat hij ze als zijn persoonlijke vijanden beschouwt. Wie de poëzie aanvalt valt hem aan. Wie de poëzie aanvalt valt Gods favorieten aan.

De kunst – die speciale kunst van de poëzie – wijst op een wezenlijk verschil tussen dichters en niet-dichters. Dat gegeven werkt Gezelle in de volgende strofen uit. Laat alles wat roos is bloeien, klater helder wanneer je een bron bent, maar allen die tonnen zijn dienen zich te houden bij wat des tons is: bij holheid, dorheid, onvruchtbaarheid.

De mier wenst zich niet onder de paarden te scharen, de kers is er niet op uit zich voor te doen als een radijs. Zelfs het dieren- en het plantenrijk, wil de dichter zeggen, gehoorzamen aan zulke simpele wetten. Alleen die stomme mensen niet. De dichter benadrukt zo niet alleen de menselijke stupiditeit, hij heeft tegelijk aangegeven hoe groot het verschil tussen de dichter en de niet-dichter is. Even groot als tussen de mier en het paard, als tussen de kers en de radijs. Het gaat om twee fundamenteel verschillende wezens. Het is geen kwestie van gradatie of geleidelijke overgang, er gaapt een onoverbrugbare kloof tussen de een en de ander. Dat de kriek iets meer weg lijkt te hebben van de kers dan de mier van het paard is maar gezichtsbedrog. Een valse voorspiegeling van de natuur.

Zo, elk ende een het zijn!

– concludeert dan de dichter. Kort en krachtig. `Ik heb gezegd.' Hij duldt geen tegenspraak. Hij suggereert niet eens de mogelijkheid van tegenspraak. Hij doet intussen zijn dichterswerk. Hij zet een grandioze finale neer.

Grandioos aan die finale zijn uiteraard de soldaten en het buskruit. De dichter heeft `de andere mensen' weliswaar op hun plaats gezet, maar hij gunt ze ook iets. Ze kunnen niet Gods favorieten zijn, maar nog wel soldaten. Zo zien we een laatste beeld voor ons dat de dichter nóg waardiger maakt: de borst biedend aan de soldateska. Gezelle tovert soldaten uit de hoed en posteert er zich frontaal tegenover.

Het is een echospel. Gods soldaten van het woord weerkaatsen Gods soldaten van het buskruit, zoals in het zo 't behoort de echo weerklinkt van dat het gaat.

In zijn eentje staat de dichter daar. Hij heeft van de algemene eer van de poëzie een persoonlijke zaak gemaakt. En dan, nog net aan het slot, brengt hij de persoonlijke zaak weer terug bij het algemene. Hij spreekt in de laatste regel over Dichteren. Meervoud, met een hoofdletter.

Wij allen die dichten. De poëzie.

Verbeeld je niet, holklinkend vat, dat je je iets kunt aanmatigen over ons vak.

En het buskruit daverde nog lang na.