Peper vond kritiek overdreven

A. Peper hield een kritisch rapport uit 1992 over zijn functioneren als burgemeester van Rotterdam achter.

Later is het in Rotterdam `pamperen' gaan heten. Als burgemeester A. Peper januari 1991 bijkomt van een verblijf in een kliniek, wordt hij in zijn appartement aan het Weena bezocht door een groepje intimi: gemeentesecretaris N. van Eck, loco-burgemeester P. Vermeulen, directeur Algemene Bestuurszaken A. Flierman, en directeur Externe Betrekkingen ad interim P. Hengeveld. ,,De sfeer was: we gaan regelen dat je niet nog eens in de modder terechtkomt'', aldus een aanwezige.

De burgemeester is najaar 1990, op dienstreis in Brazilië, ingestort. Peper heeft te veel op zijn bord gekregen, is de analyse in het appartement. Ook heeft hij zich omringd door verkeerde adviseurs, zeggen Vermeulen en Van Eck. En, dat komt ook aan de orde, het is beter als Peper de drank afzweert.

Peper zal 1 februari 1991 op het stadhuis terugkeren. Er wacht meteen een fiks karwei. Luttele dagen later zal hoogleraar sociologie A. Zijderveld rapporteren over de mislukte viering van het 650-jarig bestaan van de stad in 1990. Het feest had geen roes gebracht, wel financiële tekorten. Peper was voorzitter van de organisatie.

Zijderveld stelt Peper verantwoordelijk voor de mislukking. De hoogleraar signaleert dat Peper grillig met zijn medewerkers omgaat. ,,Het werd mij al snel duidelijk dat het hier niet om roddels gaat'', aldus het rapport. Zijderveld doet de suggestie de bestuurscultuur ruimer tegen het licht te houden, nu hij ,,signalen heeft ontvangen'' dat het debacle symptomatisch is voor het werk van de bestuurlijke en ambtelijke top.

Peper vindt het overdreven. Hij moet als burgemeester ,,een menigte aan activiteiten'' verrichten en het feestje is er één te veel geweest. Zijderveld heeft een ,,overspannen perceptie'' van zijn rol. Hij beschikt niet over de ,,absolute macht'' die Zijderveld suggereert, en wijst Zijdervelds voorstel af. De raad volgt hem hierin.

Wat de raad niet weet is dat Peper het jaar daarna aandacht houdt voor zijn functioneren en dat van de ambtelijke top. Organisatie adviesbureau Berenschot krijgt medio juli 1992 opdracht de kwaliteit van Pepers ambtelijke staf te onderzoeken, aldus het vertrouwelijke rapport van 9 oktober 1992. Zijderveld nu: ,,Dit is het onderzoek dat ik bedoelde, al vroeg ik om een wetenschappelijke analyse. Hier wist ik niets van. Hoogst merkwaardig.''

De probleemstelling van Peper, in het rapport samengevat, maakt duidelijk dat de burgemeester ontevreden is over zijn staf: zijn werkdruk is te hoog omdat naaste medewerkers hem onvoldoende werk uit handen nemen; de kwaliteit van hun werk is vaak onvoldoende; Peper wordt te laat of niet door zijn ambtenaren geïnformeerd.

Uit het rapport blijkt dat Peper zelf een uitgebreid stuk over zijn positie heeft geschreven. Daarin stelt hij vast waarom Zijdervelds analyse niet klopt: door de buitenwereld ,,wordt de burgemeester nog steeds een macht, gezag en verantwoordelijkheid toegeschreven, die in sterk contrast staat tot zijn binnengemeentelijke positie''. Om de problemen in kaart te brengen, spreekt Berenschot met elf mensen, onder wie secretaris Van Eck, politiechef Hessing en de secretaresse van de burgemeester, Bal.

In het rapport wordt de ui voorzichtig afgepeld. Weliswaar is Pepers portefeuille goed gevuld, maar verkleining van taken is ,,onmogelijk en/of ongewenst''. Delegatie van werk aan de loco-burgemeester is mogelijk, maar: ,,de eindverantwoordelijke (lees: Peper, red.) moet vertrouwen geven en zaken ook echt overlaten''. Een uitbreiding van Pepers staf is tijdelijk mogelijk maar dat vergt krachtige leiding: ,,Er wordt thans te weinig leidinggegeven, zowel aan mensen als aan hun werk''.

Zo komt Berenschot aan het hart van de analyse toe, paragraaf 4.1: Macht en gedrag. Omdat de ,,feitelijke afstand'' tussen Peper en collega-bestuurders en wethouders gering is, kan hij zijn gezag niet ontlenen aan zijn functie: ,,Dit betekent dat, als hij het gedrag van anderen wil beïnvloeden, hij deze macht moet `verdienen'.'' Hij kan alleen macht verwerven ,,op grond van argumenten''. Dat vergt ,,een volwassen verstandhouding'' met medewerkers. En met ondergeschikten kan hij pas goed werken, ,,indien betrokkenen voldoende vrijheid tot handelen en ruimte tot experimenteren en het maken van fouten wordt gelaten''. Het ,,waardig behandelen'' van medewerkers is noodzaak.

Zo wordt in 4.2 (Mogelijke oplossingen en reacties) opgediend waar het om draait: de burgemeester moet een ,,gedragsverandering'' ondergaan, bestaande uit: ,,luisteren, interesse tonen, argumenteren, overlaten, delegeren, vertrouwen geven''. Een ,,gedragsverandering'' voor ,,collega-bestuurders en ambtenaren'' is daarbij ook een mogelijke oplossing.

Volgens het stuk is het bedoeld voor ,,het college van burgemeester en wethouders'', en is ,,een eerste versie van dit vertrouwelijke rapport met de heer Peper besproken''. Toch blijkt uit geen der B en W-notulen dat het daar ooit is behandeld, aldus een woordvoerder van de gemeente. De inhoud van het stuk beviel Peper niet, zegt een bekende met het onderzoek. Ingewijden weten dat het stuk in een zeer kleine oplage in het stadhuis is terechtgekomen. Zijderveld: ,,Ik heb grote waardering voor Pepers visie op de cultuur van de stad, maar over deze handelswijze ben ik stupéfait. Het is bedenkelijk dat je een rapport niet vrijgeeft omdat de uitslag je niet bevalt. En hoogst onverstandig: het komt toch uit.''

In 1993 zegt Peper als bekend is geworden dat PvdA-wethouder J. Henderson een rapport over uitkeringsfraude niet heeft gepubliceerd omdat het statistisch onvoldoende zou zijn: ,,Ik wist niet dat het rapport (-) in een lade was terechtgekomen. In elk geval had ik de statistische kwaliteiten graag mede beoordeeld. Die kans heb ik nu niet gekregen.'' Henderson moet wegens de niet-publicatie aftreden.