Het Grootboek Nationale Schuld

Nu de paus het voorbeeld heeft gegeven – excuses voor alles wat de afgelopen tweeduizend jaar is fout gegaan – kan Nederland niet achterblijven. Het is tijd voor een integraal nationaal excuusbeleid, want zoals het nu gaat, kan het niet langer. Dit geldt zowel voor de vraag- als voor de aanbodzijde.

De Japanse regering heeft onlangs de Nederlands-Indische oorlogsslachtoffers in haar pan-Aziatische verontschuldigingen betrokken. Dat is iets, maar het is niet genoeg, want het gebeurde niet voor de televisie en dan is het niet echt. Van de keizer zelf hebben wij trouwens nog niets gehoord. Bij zijn aanstaande bezoek aan Nederland zal hiervoor echter ruim gelegenheid zijn. In de Gevangenpoort is nog wel een oud schandblok te vinden waar de keizer enige minuten zijn hoofd in kan steken, terwijl één onzer, liefst de premier, iets naar zijn hoofd gooit. Dat kan een taart zijn, maar ook een ei of een tomaat. Daarover valt te praten. Het is echter wel zaak nu snel een delegatie naar Japan te sturen om dit onderdeel van het bezoek verder uit te werken.

Aan de aanbodzijde is het helaas niet veel beter gesteld. Ook hier is sprake van een hapsnap-beleid. Het is zo langzamerhand wel duidelijk dat deze materie te gecompliceerd en te omvangrijk is om haar aan de premier alleen over te laten. Het is een zaak die verschillende departementen aangaat: Justitie, Defensie en Buitenlandse Zaken uiteraard, maar ook Binnenlandse en Sociale Zaken (opvang), Financiën en Economische Zaken (schulden), Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (taal, geschiedenis, aardrijkskunde), Verkeer en Waterstaat (transport) en ga maar door. Er moet daarom met spoed een Nationale Excuus-Adviesraad worden ingesteld. Ook moet bij een volgende kabinetsformatie een Coördinerend minister (met portefeuille!) voor Spijt- en Schuldaangelegenheden worden benoemd. Hun voornaamste taak zal zijn een Grootboek Nationale Schuld op te stellen. Daarvoor is nog veel onderzoek nodig. Op deze plaats moet ik volstaan met enkele voorbeelden, die een indicatie kunnen geven van de omvang van de problematiek.

Ik begin met de activa, de te eisen excuses dus. Over Japan hebben wij het al gehad. Duitsland zal natuurlijk ook aangesproken moeten worden, zo mogelijk tot er in dat hele land geen fiets meer is te vinden. Dat spreekt vanzelf. Maar Frankrijk? President Chirac heeft onlangs een bezoek aan ons land gebracht. Het was lof vóór en na voor `cher Wim, sa torentje et son modèle polder'. Maar excuses, ho maar. Toch ligt de napoleontische bezetting ons nog vers in het geheugen. Duizenden Nederlandse jongens werden geronseld voor de Franse legers en stierven in de hitte van Spanje of de kou van Rusland. Onze koloniën raakten wij kwijt. Onze eens zo bloeiende handel ging door het continentaal stelsel ten onder. De schade liep in de miljoenen, omgerekend in hedendaagse guldens in de miljarden. En dan zwijgen wij nog maar over de rest: Lodewijk XIV, de inburgering van de hugenoten op onze kosten, beledigingen als `canaux, canards, canaille' et cetera.

De koning van Spanje is hier zo'n beetje kind aan huis. Alsof er niets is gebeurd! Alsof er geen Bloedraad, geen Tiende Penning en geen inquisitie zijn geweest. Enige jaren geleden zat ik bij een officiële gelegenheid naast de huidige hertog van Alva. Een dunne glimlach speelde om de hertogelijke lippen, maar een woord van excuus kon er niet vanaf. Het is duidelijk dat dit slechts enkele losse grepen zijn. Systematisch onderzoek is vereist. Het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis kan hier nuttig werk verrichten.

En dan nu de passiva, want laten wij het maar eerlijk zeggen: wij waren ook niet zulke lieverdjes. Zowel het buitenland als sommige van onze eigen bevolkingsgroepen zijn in het verleden slecht behandeld. De Belgen, om dicht bij huis te beginnen, hebben wij onderdrukt en financieel uitgeschud. Toen zij dat niet meer pikten en in opstand kwamen, hebben wij een korte maar wrede veldtocht tegen het muitend Belgenrot gevoerd. De schade liep in de miljoenen.

Veel erger was ons gedrag overzee. De Indianen pakten wij Manhattan af. Zogenaamd ging het hier om een aankoop, maar de zestig dollar die wij daarvoor neertelden, was natuurlijk pure oplichterij. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de Engelsen het later nog veel bonter hebben gemaakt. Zij namen New York van ons af en scheepten ons op met Suriname. `Dubbel gepakt', noemen de vakbonden dat. In Brazilië heeft de Westindische Compagnie zoveel katholieken vermoord dat hun aantal onbekend is gebleven en nu slechts dertig van hen zalig kunnen worden verklaard. En daar bleef het niet bij, want de Westindische Compagnie was ook een grote partij (`a global player' zouden wij nu zeggen) in de slavenhandel. Dit brengt ons bij West-Afrika: ook daar reden genoeg voor excuses dus. Over Zuid-Afrika hoeven wij het al helemaal niet te hebben en over Indonesië (Coen! Colijn!! Van Heutsz!!!) kunnen wij maar beter zwijgen. Die schanddaden zijn algemeen bekend. Excuses dus, en snel een beetje.

Veel minder bekend echter zijn de misdaden die tegen de eigen bevolking zijn begaan. De gehuwde vrouw was in ons land tot 1956 handelingsonbekwaam. Dit geknechte wezen kon niets doen zonder toestemming van haar man. Tot in de jaren vijftig werd de vrouwelijke ambtenaar, zodra zij in het huwelijk trad, van rechtswege ontslagen. De schadeclaims liggen voor het oprapen. Een zwangere vrouw, gehuwd of – erger nog! – ongehuwd, mocht geen les geven. De KLM, toen nog een staatsbedrijf, nam alleen stewardessen aan die over de juiste maten (747-707-747) beschikten en ontsloeg die zodra zij de leeftijd van vijfentwintig jaar hadden bereikt. Dat is nu gelukkig voorbij. Tegenwoordig worden wij bediend door gezellige moekes die met hun zondagse schort voor een bevroren broodje kaas in onze schoot laten vallen.

De ergste en meest langdurig vernederde bevolkingsgroep is echter ongetwijfeld die van de inwoners der vroegere Generaliteitslanden. Het lot van de Brabanders en Limburgers tijdens de Republiek was deerniswekkend. Hun provincies werden beschouwd als wingewesten. Hun godsdienst werd onderdrukt. En denk niet dat zij later, toen dit alles voorbij was, in het Koninkrijk der Nederlanden een warm welkom vonden. Integendeel, als ergens van een `kil onthaal' kan worden gesproken, dan is het wel hier. Hun zachte `g' bleef tot in onze dagen een voorwerp van spot, hun carnaval een object van lachlust, zo niet afkeer. Het Fries is als officiële taal erkend, maar het prachtige bronsgroen eikenhouten Limburgs niet. En hoe lang heeft het niet geduurd voor een Limburger of Brabander premier kon worden?

Natuurlijk moeten wij dit alles zien in het licht van de tijd, maar dit neemt niet weg dat hier een ereschuld valt te vereffenen, en wel een grote. Een miljoen per Brabander of Limburger is wel het minste.