Een gevaarlijke antropoloog

Naast de Bommelsaga is er de Koningsaga; beide saga's beschrijven het leven van antihelden. Maarten Koning, het alter ego van Voskuil in `Het Bureau', ziet zichzelf als een `grijze kantoorman'. Elke weekdag wandelt hij heen en weer tussen de werkplek, waar directeur Balk en het personeel hem op de huid zitten, en zijn huis, waar Nicolien hem de mantel uitveegt.

In het nu verschenen zesde deel overlijdt Beerta en wordt Balk opgevolgd door Van de Marel. Eens te meer beseft Koning dat Beerta een heer was in vergelijking met de onbeschaafde Balk. Maar de laatste was weer een aristocraat in vergelijking met de `proleet' die nu de scepter zwaait op het instituut. Een manager, die niets van volkskunde weet, een gevaarlijke man die als een olifant in een porseleinkast tekeer kon gaan.

Er is nog iemand anders in deze megaroman die door Koning steevast als `gevaarlijk' wordt omschreven. Dat is de antropoloog Charles Luzac. Naar aanleiding van het vijfde deel stelde ik al vast dat Koning met lede ogen zag hoe de antropologen het Beerta-instituut kwamen binnenmarcheren. Van meet af aan stoorde Koning zich aan de neerbuigende houding waarmee die hem en zijn staf bejegenden. Een volkenkundige achtte zich kennelijk superieur aan een volkskundige. Gewapend met theorieën over `beschavingsprocessen', `rituelen' en `volk en elite' stortten zij zich op de kaartenbakken van het Bureau. Daarin zat een `goudmijn' aan gegevens verstopt – al hadden die knipselverzamelende folkloristen dat zelf niet in de gaten.

Als Koning in de `Werkgemeenschap Dorps- en Streekgeschiedenis' een lezing houdt over zijn vak, komt het tot een botsing met Luzac. Hij bespeurt bij de nieuwe generatie een toenemende belangstelling voor zaken als volkskarakter, volksgeloof en volksgeneeskunde. De afgelopen dertig jaar had niemand daar belangstelling voor getoond. Waarom nu dan wel? Het antwoord luidt: `Wat hen daarin schijnt aan te trekken is de suggestie dat het volk wijsheden heeft bewaard die in de moderne beschaving verloren zijn gegaan.' Was dat ook niet de valkuil voor volkskundigen van de oude (foute) stempel die het platteland als een toevluchtsoord voor tradities en oude waarden hadden beschouwd? Kortom, krijgen we `bloed en bodem'-denkbeelden terug in een nieuw hip jasje?

Die sneer, lezen we in deel VI, was vooral voor Luzac bedoeld. Dat ontging de laatste blijkbaar niet. Die vond dat Koning een veel te pessimistisch toekomstbeeld van de volkskunde schetste. En bovendien scheerde hij wat al te gemakkelijk allerlei mensen die hem niet bevielen over één kam. Strak van de spanning dient Koning hem van repliek. Het lachje en het dunne baardje van Luzac zijn haast onverdraaglijk. `Hij stond klaar om hem naar de strot te vliegen.'

Later wordt de voordracht van Koning in het `Bulletin' afgedrukt. Ik heb het Volkskundig Bulletin van 1984 er even op nageslagen, en inderdaad, daar vinden wij het verhaal in grote lijnen terug. Twee nummers later staat een kritische reactie van Willem de Blécourt, weer gevolgd door een reactie van Voskuil. De eerste reactie is zakelijk en rustig van toon. De repliek van Voskuil is veel agressiever. Hij betwijfelt of De Blécourt tot `zindelijk denken' in staat is. Is hier toch sprake van enige territoriumdrift, een drift die Koning al vaker bij zichzelf heeft vastgesteld?

Tenslotte zat De Blécourt in de redactie van het concurrerende blad `Neerlands volksleven' en stond hij aan de basis van de `Stichting Informatiecentrum Volkskultuur'. Die Stichting vond Koning een overbodige zaak, want we hadden immers al het Beerta-instituut?

Koning blijft gebeten op de `arrogante' en `gevaarlijke' Luzac. Die geniet hem te veel van volksgeloof. `Hoe mysterieuzer hoe mooier. Het zou me niks verbazen als hij ook nog antroposoof was en zijn toevlucht nam tot kruidendokters.'

Daar is mij verder niets van bekend. Wel herinner ik mij een stuk van De Blécourt over In de ban van de Ring van Tolkien, waarin hij zich geboeid toont door de wereld van magie en sprookjes. Hij zou graag dichter bij huis op zoek gaan naar `exotische culturen'. Later promoveerde hij onder de mentaliteitshistoricus Frijhoff (in `Het Bureau' Vreeburg geheten) op een studie over hekserij.

Zo op het oog zou ik zeggen dat De Blécourt, met zijn belangstelling voor antropologie, volkskunde, Tolkien en hekserij, een wetenschapsman is met een romantische inslag. Ziet Voskuil juist daarin een gevaar?