Beleidsval

Vrijwel alle serieuze kranten brachten de afgelopen maand indringende beschouwingen over de `armoedeval': het loont voor mensen met een uitkering vaak nauwelijks om aangeboden werk te aanvaarden. Het probleem is niet nieuw. In 1977 rekende de Tilburgse econoom Cees Walenkamp in het vakblad ESB al voor hoe weinig mensen soms van een extra verdiende gulden overhouden. Eerst gaat daar in de meeste gevallen tussen de 50 en 60 cent af wegens loonbelasting en premies voor de verplichte sociale verzekeringen. Een hoger loon leidt ook tot korting op de individuele huursubsidie en de studiefinanciering, terwijl iemand na een loonsverhoging meer uit eigen zak moet betalen voor gesubsidieerde kinderopvang, gezinszorg en rechtshulp. Al die regelingen kennen `inkomensprijzen': wanneer het inkomen toeneemt loopt de subsidie terug en stijgen gevraagde eigen bijdragen. Inkomensprijzen werken als een verborgen belasting. Ze hollen een bruto inkomensverbetering net zo uit als de loonbelasting en de sociale premies. Walenkamp liet zien hoe de impliciete belastingdruk onder het toenmalige kabinet-Den Uyl was gestegen, als gevolg van nieuw ingevoerde inkomensafhankelijke subsidies en eigen bijdragen. In de loop van de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw hebben achtereenvolgende kabinetten het probleem – met de beste bedoelingen - alleen maar verergerd. De ene inkomensafhankelijke regeling werd op de andere gestapeld. Het bereik van de huursubsidie is bijvoorbeeld aanzienlijk verruimd; anno 2000 ontvangt een miljoen huishoudens samen meer dan drie miljard gulden. Sinds het midden van de jaren negentig laat de rijksoverheid bovendien oogluikend toe dat gemeenten eigen inkomensbeleid voeren. Het is inmiddels gebruikelijk dat mensen met de laagste inkomens kwijtschelding krijgen van lokale heffingen en aanspraak kunnen maken op financiële extraatjes, zoals kortingen bij gebruik van gemeentelijke voorzieningen. Het recht op deze tegemoetkomingen vervalt zodra iemand iets meer dan het sociale minimum gaat verdienen. Zo drukt het lokale armoedebeleid mensen dieper in de armoedeval.

Het is niet verwonderlijk dat de armoedeval tamelijk plotseling zo prominent in de media wordt belicht. Na de herziening van de Algemene bijstandswet in 1996 is de sollicitatieplicht van mensen met een bijstandsuitkering aangescherpt. Alleen wie ouder is dan 57,5 jaar of een jong kind verzorgt hoeft niet op sollicitatiepad. Gemeenten zijn op grond van een andere recente wet verplicht strengere sancties toe te passen jegens werkweigeraars. Als gevolg van de krappe arbeidsmarkt staan steeds meer vacatures open. Personeelstekorten dwingen werkgevers minder kritisch te zijn bij het aannemen van sollicitanten. Veel bijstandsontvangers die een paar jaar geleden nog als moeilijk bemiddelbaar werden gekwalificeerd zijn inmiddels aan de slag. Onder deze omstandigheden krijgen wethouders van sociale zaken en hun beleidsmedewerkers steeds meer oog voor de armoedeval die zij recent zelf hebben uitgediept. In Den Haag zwoegt een ambtelijke werkgroep inmiddels op mogelijkheden om inkomensafhankelijke regelingen te stroomlijnen.

De Groningse armoede-onderzoeker Maarten Allers liet een paar weken geleden overtuigend zien – opnieuw in het blad ESB - dat er logisch geredeneerd maar twee oplossingen zijn. Het probleem verdwijnt wanneer de overheid alle regelingen met een inkomensprijs zou afschaffen. Deze ingreep betekent uiteraard een grote inkomensachteruitgang voor veel mensen met lage inkomens. Het alternatief is in het geval dat iemands inkomen toeneemt de inkomensafhankelijke subsidie minder snel af te breken en eigen bijdragen minder snel te verhogen. Dit maakt de regelingen echter nog begrotelijker. Alleen een versoepeling van de huursubsidie vergt al snel vele honderden miljoenen guldens extra. Bovendien krijgt bij deze oplossing een nog veel grotere groep mensen te maken met inkomensprijzen en alle nadelen van dien.

In de Sociale Nota 2000 komt het woord armoedeval helemaal niet voor. De ambtenaren van de eerstverantwoordelijke minister De Vries signaleren het bestaan van liefst drie valkuilen. Van de `productiviteitsval' is sprake wanneer iemand zo weinig productief is dat het voor een werkgever niet loont hem in dienst te nemen. Het geringe inkomensverschil tussen werken en niet-werken kan ertoe leiden dat een laagbetaalde baan niet wordt geaccepteerd, omdat de inkomensvooruitgang zeer beperkt is. Dit is de armoedeval, een woord dat de Haagse penvoerders van minister De Vries liever vermijden. Het paraplubegrip `werkloosheidsval' tenslotte doelt op situaties waarin mensen zonder baan zitten, doordat zij óf te duur zijn (productiviteitsval) óf niet de overstap naar betaald werk willen maken aangezien de financiële prikkel daartoe onvoldoende is (armoedeval). Met hun analyse hebben de ambtenaren van Sociale Zaken zich verstrikt in een klassieke `beleidsval': veel woorden, geen daden.

De aanpak van het probleem is toch zo simpel. Stop met het invoeren van nieuwe inkomensafhankelijke regelingen. Zo valt te voorkomen dat een nog grotere groep burgers nauwelijks iets van een bruto-inkomensstijging overhoudt. Bevries verder de inkomensgrenzen van al bestaande regelingen. Doordat de inkomens stijgen, groeit een toenemend deel van de huidige rechthebbenden vanzelf uit de regelingen. De betrokken gezinnen gaan er in verhouding tot andere huishoudens minder op vooruit. Via een algemene belastingverlaging valt hun koopkrachtpijn te verlichten. Maar wie op dit moment baat hebben van inkomensafhankelijke regelingen zullen er in verhouding tot anderen onvermijdelijk altijd op achteruitgaan wanneer het mes in de inkomensprijzen gaat. Vooralsnog bestaat uitsluitend in VVD-kring voor deze aanpak wel enige sympathie. Links is tegen. Het is rechtsom (probleem bij de wortel aanpakken) of linksom: werken blijft voor grote groepen met een laag inkomen nauwelijks lonend. Die uitkomst moet juist voor een partij van de arbeid op den duur onverteerbaar zijn.