Asiel en werk

EEN PLUS EEN is twee, moeten de sociale partners hebben gedacht. Er is een nijpend tekort aan arbeidskrachten in Nederland en er is een reservoir aan mensen in opvangcentra beschikbaar die tot nietsdoen zijn gedwongen. Dus wat ligt er meer voor de hand dan asielzoekers die afwachten tot hun toelatingsverzoek is behandeld, de mogelijkheid te bieden aan de slag te gaan. Wat de werkgevers en vakbonden betreft, moeten asielzoekers in staat worden gesteld om een half jaar onafgebroken te werken. Daarmee gaan de sociale partners verder dan het kabinet, dat maximaal twaalf weken onafgebroken werk wil toestaan binnen een periode van 39 weken.

Alleen al het gehakketak over het aantal weken geeft aan dat het om een ingewikkeld onderwerp gaat. Want Nederland is een formalistisch land waar arbeid recht geeft op sociale zekerheid. Natuurlijk willen asielzoekers graag aan de slag. Als ze een arbeidsverleden opbouwen, kunnen ze rechten doen gelden op uitkeringen. Ze kunnen ook verwachten dat met een baan de kans afneemt dat ze later zullen worden uitgewezen. De ervaringen met `witte illegalen' – illegale immigranten die legaal hebben gewerkt – is dat het buitengewoon moeilijk is om tegen de publieke opinie in mensen uit te wijzen.

BIJ ASIELZOEKERS ligt werken nog gecompliceerder. Ten eerste speelt mee dat het perspectief op (tijdelijk) werk een aanzuigende werking heeft. Nederland zal als bestemming bij de mensenhandelaren in populariteit stijgen en de moeizame pogingen om de toestroom van asielzoekers in te dammen, zullen hierdoor hoogstwaarschijnlijk weer worden tenietgedaan. Ten tweede helpt werk niets om de opvangproblemen te verlichten. Weliswaar zijn er vorig jaar minder asielzoekers naar Nederland gekomen (ongeveer 43.000), maar het aantal was hoger dan in de jaren 1995, '96 en '97. De asielzoekerscentra blijven overvol omdat afgewezen of uitgeprocedeerde vluchtelingen niet uitstromen. De druk op de asielzoekerscentra neemt op het ogenblik weer zorgwekkend toe. Hier komt bij dat vluchtelingenadvocaten alle aanknopingspunten aanpakken om hun cliënten te helpen. Er ligt een prop van zo'n honderdduizend beroepsprocedures die moeten worden afgehandeld waardoor het juridische systeem ontregeld dreigt te worden. Gevreesd moet worden dat de achterstanden in de beroepsprocedures zullen toenemen als er ook nog individuele arbeidszaken van asielzoekers doorheen gaan spelen. Het wordt in het beleid niet onderkend, maar het asielvraagstuk is een massaproduct geworden.

DEZE PRAKTISCHE bezwaren zijn op zichzelf al aanleiding om uitermate terughoudend te zijn met pleidooien om asielzoekers te laten werken. Er zitten ook nog twee principiële kanten aan. Als het om tekorten op de arbeidsmarkt gaat, bestaat er in Nederland zelf een reservoir van arbeidskrachten dat onvoldoende wordt aangeboord. Onder de miljoen arbeidsongeschikten, van wie jongeren, vrouwen en mensen met psychische klachten de snelst groeiende groepen vormen, zijn ongetwijfeld mensen te vinden die best weer in het arbeidsproces kunnen integreren.

Asielzoekers doen een beroep op de vluchtelingenstatus. Dit is voor vreemdelingen de enige manier die ter beschikking staat om in Nederland toegelaten te worden, maar eigenlijk is het een anachronisme uit de tijd van de Koude Oorlog toen deze status was bedoeld om een enkele dissidente Rus, uitgenodigde Zuid-Amerikaanse ballingen of Vietnamese bootvluchtelingen toe te laten. In de jaren negentig heeft het vluchtelingenvraagstuk het karakter van een volksverhuizing aangenomen. Dan verdient het de voorkeur om een immigratiebeleid te voeren dat toelatingsquota hanteert zoals in de Verenigde Staten gebeurt. Daarmee zijn de problemen zoals die nu bestaan in de toelating en opvang niet op slag verdwenen, maar het schept helderheid. En het biedt toegelaten immigranten rechtstreeks perspectief op werk. Met het voorstel van de sociale partners om asielzoekers aan het werk te laten, wordt de zaak omgedraaid. Niet doen, dus.