Waarheid van klimmer Bart Vos blijft twijfels oproepen

Klimmer Bart Vos wordt beschuldigd van bedrog. Heeft hij in 1984 wel dan niet de top gehaald van de Mount Everest en in 1996 wel dan niet de Dhalaugiri? Het voortdurende gekissebis in de edele klimsport.

Het wordt wellicht tijd om het strijdtoneel in de kwestie `Heeft Bart Vos de top wel of niet gehaald' te verplaatsen van de 8850 meter hoge Mount Everest naar de flanken van de 8167 meter hoge Dhaulagiri – een berg in het westen van Nepal, die Vos claimt beklommen te hebben in 1996.

Over zijn (al dan niet) beklimmen van de Everest op 8 oktober 1984 is al vele jaren uitputtend geargumenteerd, soms met een felheid een betere zaak waardig – zelfs een kort geding werd niet geschuwd. Vele feiten en veronderstellingen zijn – worden nog steeds – aangevoerd, zoals nu recentelijk weer in het boek Eén meter Everest van Mariska Mourik, dat zojuist is verschenen.

In dit boek wordt de beklimming van Vos opnieuw in twijfel wordt getrokken. Nieuw is dat dit keer een deelnemer aan de expeditie zelf uit de school klapt; tot op heden waren het altijd `de anderen' die roddels en geruchten verspreidden.

Mourik was aanwezig in het hoogste kampje op de Everest, op 8 oktober toen Vos de top van de Everest beklommen zou hebben. Zij trokken die dag voor het grootste gedeelte samen op, en zij beschrijft de martelgang van Bart tot aan de zuidtop (zo'n 400 meter van de hoofdtop) waar hij zou zijn omgedraaid. Zonder de top gehaald te hebben, zoals zij beweert.

Waarom komt zij nu pas met deze bekentenis, die ook al in 1984 afgelegd had kunnen worden? Had dat niet zestien jaar ellende gescheeld? Zij zegt dit probleem altijd in haar hart te hebben meegesjouwd, maar besloten had er niets mee te doen – tót het moment dat zij het niet meer aan kon zien toen zij te weten kwam dat Vos opnieuw ging jokken, ditmaal over zijn beklimming van de Dhaulagiri.

Dus, gisteravond in het programma B&W was het weer het bekende beeld: voor- en tegenstanders vlogen elkaar met hernieuwde ijver in de haren. Mourik moest haar argumenten staande zien te houden tegen een felle aanval van expeditielid Joost Ubbink.

Maar helaas, al lijken er een aantal nieuwe argumenten aangevoerd te kunnen worden (zoals de `tijdsfactor' die dag: Mourik zegt dat Vos het volgens de klok niet gehaald kán hebben) en al lijken de feiten zich met de traagheid van een drijvend continent zich meer tegen Vos te keren, een sluitend bewijs van deze zaak is niet te geven – en zal nooit gegeven kunnen worden zolang de (kroon)getuigen elkaar blijven tegenspreken en betwisten.

Bij de Dhaulagiri ligt dat anders. Vos ging drie keer naar deze berg, de laatste maal in 1996. De eerste twee keren waren een mislukking, maar bij de derde poging op 17 oktober claimde hij de top gehaald te hebben. Hij schreef er ook een boek over: Hoger dan de Dhaulagiri, waarin hij triomfantelijk vertelt: ,,Misschien zijn er twee, drie mensen die kunnen wat ik op de Dhaulagiri heb gedaan. Als de bergsport olympisch zou zijn, had ik een medaille gewonnen.''

Op zich is de juichtoon begrijpelijk. Aan `zijn' Everest was altijd getwijfeld, en dat grieft, ondergraaft. Een afdoende verdediging was niet mogelijk bij gebrek aan bewijs. Dus een vlucht naar voren – of liever naar boven – om zichzelf eens en voor altijd boven alle twijfel te verheffen ligt dan voor de hand. Als je dan ook nog eens een mooie route op een moeilijke berg als eerste solo klimt, dan is er alle reden voor om jezelf de Marco van Basten van de Nederlandse klimsport te noemen.

Maar kloppen zijn beweringen? Het Algemeen Dagblad van afgelopen vrijdag en zaterdag wijdt daar artikelen aan, waarin wordt beweerd dat Vos – nog afgezien van de top van de Everest – de top van de Dhaulagiri óók niet heeft gehaald. Er klinkt geen twijfel door in de tekst. Journaliste Milja de Zwart heeft naar eigen zeggen grondig en onafhankelijk onderzoek gedaan, heeft alle mogelijke getuigen persoonlijk gesproken tot in Sint Petersburg toe, en daarvan een dossier aangelegd.

Wat bij deze omstreden beklimming opvalt: de mensen die `in de buurt' waren spreken eensgezind dezelfde taal, die datgene verwoordt wat – naar nu blijkt – al langere tijd door een groepje ingewijden werd vermoed: Vos zou de top van de Dhaulagiri nooit hebben bereikt, en zeker niet via de moeilijke `oostwand' die hij claimt als eerste beklommen te hebben. Hij zou zelfs niet hoger zijn gekomen dan 7250 meter.

De NKBV, de Nederlandse Klim- en Bergsport Vereniging, heeft zich in een reactie op deze aantijgingen door middel van een brief duidelijk uitgesproken dat – zolang het tegendeel niet overtuigend is aangetoond – er van uit gegaan dient te worden dat Vos de top heeft gehaald. Maar de tekst beperkt zich tot de beklimming van de Mount Everest, in welk verband wordt opgemerkt: `De klimmer die zegt een bepaalde prestatie te hebben verricht dient te worden geloofd, tenzij sluitend en overtuigend het tegendeel kan worden bewezen.'

Van de klimmer dient dus aangenomen te worden dat wat hij zegt, ook waar is. Los van het feit dat dit een mooi streven is (klimmen is een edele sport waarin men elkaar vertrouwt), kan men zich afvragen of dit mogelijk zal zijn, of liever: zal blijven. Het gaat niet alleen meer om de eer, het gaat nu ook om het (grotere) geld.

Hoe waterdicht moet een bewijs zijn om overtuigend te zijn? Bij voetbal en wielrennen is elke centimeter in beeld gebracht, een nipte zege wordt zo nodig op een finishfoto uitvergroot. Bij solo-klimmen op hoge bergen in verre landen, zonder enige vorm van verslaglegging door anderen dan de klimmer zelf – wat Vos doet – zal dit altijd uitgesloten zijn.

Moet het dan niet zo zijn dat ook de klimmer de plicht heeft om tenminste aannemelijk te maken dat hij de gemelde prestatie daadwerkelijk heeft geleverd? Volgens deze richtlijnen werkt in ieder geval het Mountaineering Section van het Nepalese Ministerie van Toerisme, die alle claims van beklimmingen in Nepal op deugdelijkheid onderzoekt. Dit departement heeft het zogenaamde top `certificaat' (een document dat aan beklimmers van bergen in Nepal wordt uitgereikt) aan Vos niet overhandigd, omdat de bewijzen die hij aanvoerde onvoldoende waren.

De argumenten: Vos verhalen kloppen niet met de getuigenissen van alle andere klimmers die in dezelfde periode op dezelfde berg rond klommen. Voorts was de `topfoto' in het donker gemaakt en deze is zo onduidelijk dat hij ook ergens anders genomen kan zijn. Ondanks aandringen, volgens een woordvoerder van het departement in Kathmandu, heeft Vos tot op de dag van vandaag geen verdere argumenten kunnen aanvoeren op grond waarvan zijn beklimming in Nepal erkend wordt. Hij staat in Nepal dus niet geregistreerd als Dhaulagiri beklimmer.

In Nepal zelf vindt men de kwestie interessant maar er lopen wel meer vreemde snuiters rond in de Himalaya. Men is wel wat gewend, Vos schaart zich daar in een bont gezelschap ijs- en sneeuwbestormers, waarvan Hillary en Messner natuurlijk de bekendsten zijn.

Deze ruzie vindt plaats in Nederland, ook al vindt het mogelijke jokken plaats in Nepal. Dus stel ik een typisch Nederlandse oplossing voor. Nu de getuigen van Vos beklimming van de Dhaulagiri tegenspreken dat hij er geweest is, nu de Nepalese overheid de beklimming van Vos niet erkent, nu het boek van Mourik wederom een vreemd schijnsel werpt op de beweringen van Vos, wordt het niet eens tijd dat een onafhankelijke onderzoekscommissie de argumenten pro en contra in deze ruzie – die al zestien jaar voortduurt en die in dit nieuwe millennium een belangwekkend vervolg krijgt – eens te op toetsen op hun waarheid?

Want dit voortdurende gekissebis is niet belang van de (Nederlandse) klimsport, en het is zeker niet in belang van Vos, die nu al sinds 1984 in een beklaagdenbankje zit te zweten – en daar voorlopig ook niet uit kan ontsnappen zoals het zich nu laat aanzien.

En het is ook niet in het belang van Nepal, dat het moet hebben van blijde en tevreden toeristen, wandelaars én bergbeklimmers.

De auteur is Honorair Consul Generaal voor Nepal in Nederland